|
Een oude volkswijsheid zegt reeds: "geen rook zonder vuur." Als men het zo benadert kan men de Bugarach toch wel een beetje als de bron van een behoorlijk vuur gaan beschouwen. Zeker als men de rook die ervan af lijkt te komen in aanmerking neemt.
Resteert de vraag waardoor en sinds wanneer de mythes rondom de Bugarach vorm kregen? Voor de rationalist is er niet gelijk iets concreets te vinden achter deze massa van raadselen en verwarring. Op het eerste gezicht valt er niet meteen iets duisters te bespeuren, wat men ons toch zo graag lijkt te willen doen geloven. Daarnaast ondervindt de kleine gemeenschap van het dorpje Bugarach geen specifieke gevolgen van die legendarische omgeving. Wel zijn er meestal hordes vreemde bezoekers te vinden in die verfrissende schemering onder een onrustige hemel waar het hevig kan onweren.
Iets later verwonderen die nieuwsgierige wandelaars en onderzoekers zich er dan over hoe weinig resultaten hun onderzoek heeft opgeleverd.
Eigenlijk kan men enkel verrast zijn dat er maar zo weinig werken gewijd zijn aan het dorp en de berg van Bugarach, aan het historische verleden, de rijkdom aan archeologie, natuurkundige bijzonderheden en humoristische verschijnselen. Men moet zich maar tevreden stellen met incidenteel genoemde minerale curiositeiten en kleine hoofdstukjes die vertellen over zekere historische gebeurtenissen in de regio, waarin dan heel toevallig even de naam Bugarach opduikt. Niet echt genoeg om werkelijk iets mee aan te kunnen vangen.
Dit dorp komt met zijn buitengewone omgeving in iedere gids over de regio voor. Hierdoor moet deze formidabele streek uiteindelijk toch de aandacht trekken en nieuwe geinteresseerden stimuleren. Wie vervolgens de verschillende verslagen over dit onderwerp bestudeert beseft dat er geweldige mogelijkheden voor nader onderzoek open liggen. Zowat alles nodigt uit tot een meer nauwgezette studie.
Eigenlijk is het één opeenvolgende rij van simpele, op zichzelf staande, incidenten die, eenmaal bij elkaar gevoegd, alle verwachtingen te boven lijken te gaan. Er wordt al snel geleerd dat men helemaal niet de eerste is die geïnspireerd wordt door deze uiterst vreemde plaats. Veel mensen die hierin zijn voorgegaan hebben vaak tevergeefs hun leven geriskeerd, soms met dramatische afloop. Want niets tijdens eerdere observaties en daaruit volgende conclusies zijn anders dan wat provisorische hypotheses op dit moment. Het raadsel is onopgelost.
Deze plek is zonder twijfel nauw verbonden met het mysterie van Rennes-le-Chateau. Het maakt deel uit van een veel groter geheel waarvan de basis in een spannend verleden rust. Daarom is het zaak om niet als een nachtkaars uit te laten gaan wat door de eeuwen heen, als een rebus, in stukjes aan ons door werd gegeven over dit specifieke onderwerp. Daar zit een openbaring in verscholen die gekoesterd moet worden, eentje waarvan het misschien wel de bedoeling is dat die vandaag de dag geopenbaard zal gaan worden.
Wat is er nu eigenlijk allemaal gebeurd in deze regio? Wat willen zekere ‘ingewijden’ verborgen houden, zonder het evenwel radicaal uit te willen wissen? Het is welhaast zeker dat een bepaalde gebeurtenis, een belangrijk ‘weten’ hier verborgen ligt. Deze ‘geladen’ kennis werd zonder enige twijfel door de tijd heen gehoed door verscheidene families die ook weer betrokken waren bij de enigma’s van de Razès en aangrenzende gebieden.
Zoals vaak ook op andere plaatsen die bekend staan om hun mysteries het geval lijkt te zijn blijven indicatieve tekenen of symbolen zichtbaar. In de vorm van gravures, tekeningen, documenten, legendes, vestingwerken en andere religieuze of bestuurlijke zaken die uit het verleden stammen. Deze belangrijke getuigenissen wijzen op een fabuleuze traditionele opslagplaats van herinneringen, van overblijfselen, waarvan de waarde door al die genomen voorzorgsmaatregelen erg goed beschermd bleef.
Hier is sprake van een vreemd netwerk van grotten, kastelen, kerken en kloosterorden, onderaardse rivieren en verborgen mijnen, door licht gevormde tekeningen en gravures, religieuze geschriften die naar een ‘Atlantisch’ verleden zouden wijzen, geheimzinnige notarissen en obscure archieven, occulte filosofie en esoterische symbolen. En dan zijn er ook nog archieven van ene
St. Polycarpe tot de schrijver Jules Verne.
Dit alles stuurt ons dan op een soort van reis die voert tot aan de ultieme openbaring die midden in het centrum van het mysterie ligt!
Maar laten we onderwijl nooit vergeten dat, hoewel de weg met slechts weinig en kleine stukjes kennis bezaaid ligt, het pad wel meteen ten einde is voor wie zich overgeeft aan heiligschennis of onvoorzichtigheid. Op deze middeleeuws aandoende queeste kunnen we het kasteel Perilleux (noot van de vertaler: perilous castle, ‘kasteel van gevaar’ uit de Graalverhalen) aandoen, enkele onsterfelijke geheimen ontwaren, (ronde) tafels tegemoet zien waar de dertiende plaats nog leeg is en wacht op de waaghals of de onbewuste.
Hermetisme... |
| ...is de studie en beoefening van occulte filosofie en magie, geassocieerd met de mythische Hermes Trismegistus. (bron) |
Er schuilt in ieder geval genoeg in het verleden van de Bugarach die het nemen van zekere voorzorgsmaatregelen rechtvaardigt. En dat betreft dan een ‘iets’ dat maling blijkt te hebben aan tijd en ruimte. Een ‘iets’ dat te maken heeft met heiligheid, verborgenheid en hermetisme. Een ‘iets’ dat nog onbekende dimensies voor ons zal openen en waar slechts moeilijk te komen valt.
De werkzaamheden die nu voor ons liggen zijn niets anders dan het verzamelen van schijnbaar vergeten elementen, die vervaagd zijn of al die tijd verborgen lagen. Deze kleine hoeveelheid van informatie heeft zeker niet de pretentie gelijk ALLES te bevatten. Het is eerder slechts een begin om mee aan het werk te gaan de enigma’s rond de Bugarach eindelijk eens op te lossen…
(noot van de vertaler: in onderstaande beschrijving schijnt de schrijver ervan uit te gaan dat men de Bugarach reeds aan het beklimmen is of reeds op de top staat)
Naar het zuiden toe ontvouwen zich in min of meer een rechte lijn de schakels van de bergketen waar St Antoine de Galamus aan het uiteinde van ligt en waar men dan weer twee andere bergkammen kan ontwaren die behoren bij de bergketen van Ayguesbonnes en Lesquerde, die parallel in één rij loopt met die van de Galamus en de hoogste toppen bevat tussen Quillan en Caudiès.
Ten noorden van deze keten, naar het westen toe, biedt het landoppervlak een uitgestrekte golvende ondergrond als van een deinende zee met grote golven die de 'oevers' die zich in het noorden bevinden parallel lijken te willen benaderen. In het oosten, over de bergkammen van het massief van Tuchan heen, kan men dan de zee onderscheiden.
Dan, als men afdaalt naar het zuiden en westen, eerst de stad Perpignan en de vlakte van de Roussillon, de Canigou, de berg Madres en dat deel van de Pyreneeën wat de grens vormt met Spanje en daarna nog Mont Louis en de Ariège. Men verlaat de top van de berg Bugarach over dezelfde weg die men gebruikte om er te komen. Vandaar arriveert men in het dorp Bugarach, na eerst de boerderij van Bringots te zijn gepasseerd waar reizigers hun dorst kunnen lessen met water uit een zuivere bron en zich kunnen koesteren in de warmte of de frisse berglucht.
Deze gevarieerde informatie komt uit het departement Aude van A. Ditandy, een stukje uit de editie van 1875, van de fameuze drukkerij van François Pomiès aan de Rue de la Mairie 50. Dezelfde editeur die 11 jaar later ‘la Vraie Langue celtique’ van pastoor Boudet zou uitgeven. En zo komen we aan het begin van het dorpje Bugarach.
Bugarach. Voor de verandering was het weer eens een priester, die de naam Sabarthès droeg, die in zijn ' Topografisch woordenboek van het departement Aude-1916-' de evolutie van deze naam in de locale documenten zou beschrijven:
“Canton van Couiza, kerk aan de Heilige Maagd gewijd, de pastorie is gefuseerd met de afdeling in St. Paul de Fénouillèdes, vallend onder Limoux- Villa Burgaragio 889- Bugaaragium 1231- kerk van Burgairagio 1259-Bugaragium 1347- Ste Marie de Bigarach 1194-1500- Bigarach en malet 1298- 1500- Locus de Bricaragio 1377- Bugaraich 1594- Beugarach 1647- Bugarach 1781 Bugarach, het derde canton in het district van Quillan bestaat in 1916 uit Bugarach, Camps, Cubières, le Bézu, Parahou, St Just en St Louis. Op het religieuze vlak valt het onder het aartsbisdom van Alet les Bains en de hoge Razès….”
Dit dan wat betreft de naamgeving en wat men daarover kan vinden in zekere documenten.
Bugarach, men krijgt een landschap in beeld van een uitzonderlijk omgeving, een palet van sensaties, kleuren, waar zich plots intieme momenten uit het obscure verleden ontmaskeren. Een geschiedenis van verwoesting, legende, realiteit en van een mysterieuze mensheid.
Bugarach, een vreemd geografisch onderdeel met min of meer aan zijn voeten de bittere (zoute) wateren van de Sals. Vanuit het dorp met dezelfde naam gaat men omhoog tot aan het hoogste punt van de pas, waarvandaan een pad leidt naar de top van de berg Bugarach. De berg is een markant punt in de gehele regio met zijn 1.231 meter hoogte.
Vanaf de pas, die over le Linas gaat, daalt men aan de andere kant weer af richting Cubières sur Cinobles (noot v/d vertaler: de geboorteplaats van de laatste Kathaarse Parfait Bélibaste), gaat men door een echte poort naar de kloof van Galamus. Maar overal duikt de Bugarach weer abrupt op, de omgeving dominerend. De eerste plaats die men aandoet bij de afdaling van de pas is Camps en het riviertje de Agly.
Bugarach, dorp dat zo’n 15 kilometer van Limoux ligt. Het verleden van dit dorp is er eentje zoals die van toepassing is op zovele van die dorpen in de regio. Een vroege préhistorische menselijke bevolking werd uiteindelijk gevolgd door meer permanente nederzettingen in de antieke oudheid en later volgden de Romeinse veroveringen. Daarna kwamen de Middeleeuwen met intriges en ordinaire gewelddadigheden. Niets meer, maar ook niets minder, passeerde de revue. Vooral in de landstreek de Corbières. (noot v/d vertaler: waarvan de Bugarach dus ook deel uitmaakt)
Bugarach, verdoofd, uitgeput en sudderend op het ritme van de alledaagse lotgevallen gaat de 20ste eeuw in met een rigoureuze ontvolking van het dorp. Er is algemene desinteresse. Er zijn ook sociale crisissituaties.
De gemeenschap keert tegenwoordig echter weer een beetje terug tot leven, mede dankzij de natuurlijke rijkdom van de omgeving. Men waardeert tegenwoordig steeds meer de mogelijkheden die de omgeving biedt voor het maken van wandelingen, het onderzoeken van grotten en de woeste pure schoonheid van het landschap.
Bugarach, aangename kleine gemeenschap in de Corbières, is het dan toch enkel maar een gewone en vredige plaats... Of is het toch nét iets anders?
Als die ene spreuk klopt (noot v/d vertaler: de spreuk 'zo boven zo beneden') moeten we beneden dezelfde zaken terug vinden als op de top van de Pech de Thauzé (Pech de Bugarach).
De doorgenomen documenten maken het mogelijk diverse zaken als ondergrondse ruimtes (mijnen, grotten, cavernes en cryptes) te voorspellen in deze sector van de Bugarach.
We zullen ongetwijfeld nooit aan de weet komen wat Daniël Bettex vond op de bodem van een ondergrondse ruimte tijdens zijn opgravingen. Evenmin als we onszelf toe zouden wensen mee te maken, vlak onder de top, wat drie mannen ooit eens meemaakten die zich verstopten in door aardse krachten wederom geopende breuken. Grap, farce, hevige aanval van mythomanie? Dat alles lijkt wel zeker als het deBugarach betreft.
Toch is het moeilijk de bewijzen te ontkennen die over het bestaan van diverse onderaardse natuurlijke ruimtes gaan. Gangen die misschien gebruikt en bewerkt zijn om later wegens onbekende redenen weer vergeten te worden. Men vertelt bijvoorbeeld ook over een zekere geologische instorting die een voormalig groot zoutmeer, dat het hele gebied rondom Rennes-les-Bains besloeg, duizenden jaren geleden droog wist te leggen.
Wat betreft Rennes-le-Chateau is er een lange mondeling overleverde traditie die verhaalt over grote onderaardse waterreservoirs van verscheidene honderden meters diep. Hetzelfde denkt men trouwens van de regio rond Salses, Opoul en Périllos waar men soortgelijke bijzonderheden als in de Razès vermoedt. Alles is met elkaar verbonden, volgens C. Chanel in 1941: de warmwaterbronnen van deze sector met het geologische aardkorstplooiingsysteem waar de Canigou deel van uitmaakt. Voegen we dat toe aan een van de actieve sifons (noot v/d vertaler: onderaardse waterbekkens die als een sifon werken, de ‘fontaine des Fontestorbes’ is daar ook een voorbeeld van) vlakbij de berg Bugarach dan verkrijgen we een kleurig speleologisch geheel wat afwatert naar Salses, vlakbij Opoul. (Noot v/d vertaler: daar ligt het spookstadje Perillos waarnaar de site is vernoemd waar deze info vandaan komt)
Michel Lamy (in zijn bewonderenswaardige werk “Jules Verne, initié et initiateur’ oftewel ‘Jules Verne, ingewijde en inwijder’) vroeg zich af waar de ingang van die ondergrondse wereld in dit gebied moet zijn. Hij denkt zelf dat die zich ergens onder de Bugarach bevindt. Deze wereld herbergt volgens de Keltische mythologie de “meester der uitgegraven heuvels”, en de auteur haalt er dan ook bij dat de ‘Pic de Thauze’ uitgelegd kan worden als ‘Pic creux’ (creux is uitgehold)
Als deze etymologische herkomst klopt dan betreft het een kenmerkend gegeven in deze hele affaire. Vervolgens argumenteert M. Lamy in zijn boek nog even door en weet er een merkwaardig stukje tekst bij te halen uit het werk: “Shambala, oase van licht” van Andrew Thomas. Hierin is sprake van “la terre des Blanches Eaux où de saintes hommes vivaient en réclus” (de gronden van de blanke wateren waar heilige mannen in afzondering leven)
(noot van de vertaler: De rivier die ontspringt aan de flanken van de Bugarach heet de Blanque!!!)
Maar nog merkwaardiger wordt het wanneer Andrew Thomas dan vervolgt met een citaat van een professor Roerich:
Het is moeilijk om het beter te doen want men moet nu toch wel toegeven dat er een vreemde overeenkomst is tussen de namen BoGogoRCH en BuGaRaCH (de hoofdletters zijn overgenomen uit het werk van M. Lamy)
Met Arcadië... |
 |
| ...refereert men ook naar de tekst op het obscure graf wat door Nicolas Poussin is geschilderd en wat zich eveneens in de regio van de Bugarach bevond. De tekst luidt: “Et in Arcadia Ego” |
En dan te weten dat, als men de route vanaf de Bugarach volgt via de kloof van Galamus, men zich in de Roussillon bevindt en het dan maar een luttel eind verder is dat men zich in de regio van Perillos bevindt! Dan is het ook nog noodzakelijk om zich te herinneren dat voor de Grieken de toegang naar een onderaardse wereld zich bevindt in Arcadië. Soms leidt het toeval de zaken als vanzelf.
Die zoute meren waarover wordt gesproken in het citaat van professor Roerich kunnen zowel slaan op de bron van de Sals nabij de Bugarach als op het grote zoutmeer dat volgens geologen ooit het hele dal rond Rennes-les-Bains vulde en dat eerder al ter sprake kwam.
Dit wat betreft Shamabala <info over shambala> en de connectie hiervan met de Bugarach, we begrijpen nu waarom wij juist daarheen werden geleid)
Maar, wat betreft die fameuze onderaardse wereld in al die verhalen moet er voor die koning daar dan toch wel een bevolking zijn geweest om te leiden en verborgen te houden. Zou het dan soms die legendarische bevolking betreffen die door Louis Fédié in zijn geschriften wordt genoemd:” Le Comté de Razès et le diocése d’Alet”? (Het Graafschap de Razès en het bisdom van Alet.)
En als zo’n volk dan werkelijk zou bestaan dan zouden het misschien zelfs, als men sommige getuigen mag geloven, wel buitenaardse wezens kunnen zijn. Alhoewel die omschrijving eigenlijk niet echt past dan, onderaards klinkt dan beter.
Steeds meer romanschrijvers exploiteren graag dit genre van hypothesen door in hun verhalen te vertellen over buitengewone avonturen in het onderaardse en daar fantastische koninkrijken in te beschrijven die bewoond worden door bijvoorbeeld vreemde monniken.
En terwijl sommige van deze ‘onderaardse’ volken dan juist weer geweldloos zouden zijn en eerder zijn gevlucht voor contact met de gewone aardlingen, staan anderen in dat duistere rijk juist klaar om de wereld aan het aardoppervlak te veroveren.
Zo’n verhaal van tegenspoed wordt verteld in de roman van Bulwer-Lytton: “The coming Race” die in het Frans werd vertaald als “La race à venir.”
Daarin weten die onderaardse creaturen naar ons toe te komen door een soort mijngangen die speciaal voor dit doel zijn aangelegd en zij zouden dan krachten gebruiken voor de confrontatie met ons die zijn afgeleid van het mysterieuze “VRIL.” Dat weer niets anders blijkt te zijn dan een vervorming van het raadselachtige “Rayon Vert,” ofwel groene lichtstraal.
Zo bleek dan het ras “die ons uit zou willen roeien” te bestaan uit een volk dat “Ana” zou heten.
Natuurlijk is de naam van deze ‘holbewoners’ puur verzonnen, maar er is echter wel weer een overeenkomst met een ondergronds gebied waar de evangelist Johannes het in zijn Openbaringen over heeft in de door hem voorspelde Apocalyps. Daar noemt hij namelijk de grot “Haghia Anna”.
Het idee van een verovering van ons aardoppervlak door het volk van Ana moet bij ons natuurlijk overkomen als een puur horrorverhaal, en zonder twijfel apocalyptisch.
(noot v/d vertaler: het volk Ana lijkt ook een soort van reflectie te zijn van het Soemerische verhaal dat vertelt over de Annoenaki als Godenvolk in het dal van de Eufraat en de Tigris en waar de eerste menselijke beschaving begon. Aan het hoofd van dat Godenvolk stond een God die Anu heette. En het eerste mysterieuze volk van Ierland zou eveneens de Tuatha de D’Anann heten, het volk van Ana. Dit volk zou bij de komst der Kelten eveneens onder de grond zijn verdwenen, in de grafheuvels volgens de Ieren, en vanaf dat moment noemde men hen de Sidhe).
De kleur groen in de roman van het volk van Ana doet ons gelijk terugdenken aan een andere roman, en wel eentje van Jules Verne die “le Rayon vert” heet (de groene lichtstraal.) Deze is van een ander genre, ver verwijderd van die hierboven genoemde ‘Rayon Vert’ In het verhaal van J. Verne lijkt ie namelijk te verschijnen met het rijzen van de zon op de zonnewendes tussen de bogen van het kasteel van Montségur.
Nu is het wel zo dat de schrijver dezes (noot v/d vertaler: André Douzet) dit nooit bij heeft mogen wonen, dus maakt dit het moeilijk het fenomeen te bevestigen of te ontkennen. Als dit onbegrijpelijke moment zich evenwel daadwerkelijk voordoet dan moet men toch wel aannemen dat deze “Rayon Vert” die voorafgaat aan de rijzende zon op de zonnewendes achter de oude Pech de Thauze opkomt om de Montségur die geheiligde sporen te kunnen geven. (Noot v/d vertaler: De Bugarach ligt op exact dezelfde breedtegraad als Montségur maar dan ten oosten daarvan. Beide bergen zijn overigens exact even hoog!!!)
Een overlevering uit de Kathaarse traditie verzekert ons ervan dat op het moment van de overgave van het kasteel Montségur al werd verkondigd dat 600 jaar na deze ramp een twijg van de tak weer tot bloei zou gaan komen. De capitulatie van Montségur vond plaats in maart 1244 en 600 jaar later zou die tak in 1844 weer tot bloei moeten zijn gekomen.
Twintig jaar daarvoor echter, in 1824, werden op de top van de ‘heilige’ berg die symbolische ‘groene’ sporen voortgebracht in het kasteel Montségur volgens Jules Verne, weliswaar een beetje te vroeg (een te vergeven fout na toch zo’n 600 jaar en met de tragedie van dat moment) maar al met al toch een goede datum voor de twijg om weer op te bloeien…
De kleur groen is echter nog altijd goed vertegenwoordigd daar en weet zich te onderscheiden op die bijzondere momenten tijdens de zonnewende, achter de Bugarach waar de stralen hun weg vervolgen totdat ze door de bogen van het kasteel te Montségur schijnen.
Wat betreft de omschrijving “rameau” (Noot v/d vertaler: Het Franse woord voor twijg) , voor hen die er genoegen in scheppen een poging te ondernemen dit te ontleden, en er een diepere betekenis achter zoeken omdat het mogelijk een subtiele boodschap bevat die de tijd moest zien te doorstaan door middel van een woordspeling, het volgende: “le Râ- mot”, het woord van Ra, het woord van de zon, het woord van het licht (de helderheid?), of de aankomst van een ‘loot’, dus een “Plant Tard venu” (Noot v/d vertaler: Naar de laatste, inmiddels overleden, grootmeester van de illustere priorij van Sion, Pierre Plantard de Sinclair).
Dit om mogelijk het enigma op te lossen van de novellen van het licht van Rennes-le-Chateau, of wie weet wat er nog meer voor mogelijkheden zijn die nu nog niet genoemd zijn.
Het fantasiedomein van Maurice Leblanc (Noot v/d vertaler: De schrijver van de detective-verhaal Arsène Lupin) en Jules Verne stelt ons in staat te observeren dat vaak op het moment van de zonnewende men toegang kan krijgen tot allerlei mysterieuze schatten en koninklijke geheimen en soms met de bedoeling om de aarde te kunnen gaan overheersen. Een aanhoudend gerucht bevestigt dat zeker deze auteurs thuis zouden zijn in de materie en verbonden zouden zijn met uiterst geheime genootschappen die over gevaarlijke kennis beschikken waarvan het onmogelijk is die te openbaren aan oningewijden.
Deze broederschappen beschikken, zegt men, op een perfecte wijze over een ‘hermetische’ taal met hoge symboliek. Zoals die van de vogels of de ‘groene taal’!
Deze beelden vormen woorden met meerdere betekenissen (!!!) en men mag aannemen dat deze bijzondere getijden niets anders zijn dan een indicatie om ons te oriënteren op de zonnewende… of op het naderbij komen van de openbaringen die volgens een zeer nauwgezet proces plaats zullen vinden. Dat moment, dus de tijd waarin dat gebeurt, bevat niets dan de vervolmaking van de ruimte.
Die ruimte werd vrijwel altijd geïllustreerd door middel van een vulkaan, een naald, een mijn, een grot, een ondergrondse rivier, of een andere plek onder de grond die al dan niet door menselijke handen is gecreëerd. Het is dit uiterst ‘aardse’ ( materiële) punt, even symbolisch als fragiel, waar ‘helden’ zich mee bezig kunnen gaan houden na eerst een beproeving te hebben doorstaan zoals het ontcijferen van iets, om daarna een vaak zwaar traject af te moeten leggen wat veel overeenkomst vertoont met een inwijdingsweg in het eerste het beste ‘standaard’ avontuur.
Het is de reis naar het centrum van een wereld waaruit men graag weer heelhuids terug wilt komen in de zon van onze wereld, maar dan wel met de duur verkregen kennis(!!!)
Zoals de kwestie waarin Rennes-le-Chateau verbonden schijnt met de sporen van de oude nul-meridiaan die over Parijs loopt, is zij ook afhankelijk van het Observatoire National en van diens zenitpunten die het koninklijke dodenkelders (catacombes) dan moeten openen en dat impliceert dus de nabijheid van de Bugarach. Doch deze meridiaan gaat eveneens door de St Sulpice-kerk waar zij is vastgelegd in een zeldzaam monument. (noot v/d vertaler: Een koperen lijn die over de vloer van de kerk loopt. Komt eveneens ter sprake in de Da Vinci-code).
Het is in deze kerk dat, als men voorbijgaat aan het tableau van ‘Héliodore die door de tempel jaagt’ van Eugène Delacroix die zelf ook in het enigma betrokken blijkt te zijn, men in de sacristie een afbeelding van St.Michel vindt die een draak verslaat aan de overliggende zijde van de Bugarach en ook een scène zoals weergegeven in ‘le livre de Tobie’ (het boek van Tobias)… Alles hetzelfde als in Bugarach!
Geweldige kleur, dat groen. In het kort kunnen we wel zeggen dat het de vernieuwing tijdens het voorjaar representeert (de evening?), de ‘boom van het leven’. Het is het groen wat de legendarische taal der ingewijden aanduidt: ‘De Groene Taal’!
Algemeen esoterisch gezien is het de kleur die principieel voor het leven op zich staat, dat ‘geheim der geheimen’. Misschien was het wel om die reden dat deze kleur ook werd uitgekozen om de ‘Heilige Graal’ te representeren. Het groen in het Graalverhaal, dan de tweede kleur, is onmisbaar om het rode bloed te kunnen bevatten wat natuurlijk de eerste kleur vormt dan van de Goddelijke magie van ‘transsubstantiatie’ . Waarvan de kelk te zien is in de kerk van het dorpje Bugarach, zoals op de foto zichtbaar is.
Guillaume de Beaujeu... |
| ...was een grootmeester der Tempeliers die bekend stond ook een vreemde groene beker vast te houden. |
De onsterfelijkheid wordt eveneens gerepresenteerd in de kleur groen. Zoals hij ook symbool daarvoor is in ‘La Verte Erin’, dat Keltische eiland der ‘gelukkigen’ of 'gefortuneerden. Het eiland van het eeuwige leven wat later Ierland zou gaan worden. En het is op deze groene grond dat St. Patrick enkele boosaardige wezens vernietigde die daar in een beroemde put spookten terwijl St. Patrick zich op dat moment zelf op een pelgrimsreis bevond met Ramon de Périllos (Roussillon) en Guillaume de Beaujeu. St. Patrick wordt overigens altijd voorgesteld in een mantel van levend groen!
Enfin, groen is dus de kleur van de waarheid en van kennis. Daar komt dan nog een keer bij dat de Godin ‘Hator-Sekhmet’ (de Ator uit het vierkante deel van de grot van Galamus?) die, zegt men, een lichtstraal zo weet te concentreren dat daarin de essentie van alle oorsprong van het leven zit. Terwijl de Draken die de wacht houden bij de onderaardse ingang over een groen vuur beschikken (groen en/of rood?). Deze Draken komen tegenover elkaar te staan met monstrueuze wilde sprongen in onderaardse ruimtes die ons nu niet meer zo kunnen verontrusten, nu we de geschiedenis van de Ronde Tafel toch grotendeels al wel kennen.
Toch kunnen zij nog behoorlijk huiveringwekkend voor ons worden wanneer een droom als die Haushofer openbaarde zich weer zou herhalen. Daarin lieten enkele van zijn 'heren' uit het genootschap van ‘De Groene Draak’ de meesters binnen het nazisme ervan profiteren… Dit betrof een genootschap wiens leden op hoog niveau (Thulé) altijd een herkenningsteken bij hen hadden in de vorm van een groen potlood!!!
In die ‘nachtmerrie’ was het Otto Rahn, gemachtigd door de Nazi’s , die koste wat het koste heeft gezocht naar het geheim van Montségur en het Katharisme door middel van boringen ter plaatse. (Noot v/d Vertaler: De Nazi’s onder Otto Rahn waren eveneens op zoek naar de Graal en de Speer waarmee Jezus zou zijn doorboord waarvan zij ook dachten dat die zich daar bevond).
Otto Rahn had het daar veel te druk mee om daarnaast nog interesse te tonen in de Bugarach, waar zijn ‘bazen’ hem waarschijnlijk nooit de tijd en de middelen toe hadden verleend, om deze weg omhoog te gaan. Daarnaast is die zeker niet voor eenieder weggelegd. De weg, die Jules Verne zeker wel heeft gekend en waardoor hij zekere elementen zou verkrijgen voor enkele van zijn romans.
Zoals we verderop wel zullen zien is het zeker dat Jules Verne er stevig op aandrong om, of de aandacht van de oplettende lezer te trekken, of die van enkelingen die waren ingewijd en kennis hadden over de regio van de Bugarach. Dat deed hij door een compleet hergebruik van de toponymie van deze streek. Zijn fantastische werkstukken bevatten namelijk elementen die zelfs voor de minder nieuwsgierigen enkele ‘sleutels’ weten te openbaren wat betreft de affaire rondom Rennes-le-Chateau.
We bespreken wat dat aangaand nu niet slechts het merkwaardige “Clovis Dardentor” maar ook “Les mirifiques aventures de Maitre Antifer” (de wonderbaarlijke avonturen van meester Antifer) wiens naam al een feit aanduidt. Een plaats, een persoon die het tegenovergestelde is van ‘ijzerhoudend’ (ferreux), een specifiek metaal die als voorbeeld onbederfelijk is.
In deze roman van Jules Verne zoekt de held een legendarische schat die hij niet zonder de hulp van geografische gegevens en verborgen documenten kan vinden. Helaas bleek die geweldige opslagplaats onmogelijk in werkelijkheid te vinden.
De schrijver neigt er echter wel naar om zijn lezer nader daarover te informeren door te vertellen dat men in de queeste dan een zekere demon moet passeren die naar de naam Asmodeus luistert en die, volgens de legende, de mens in het werken met ijzer voor is gegaan.
Het is overigens deze zelfde demon, die de wacht houdt, voorovergebogen onder het gewicht van een wijwaterbak bij de ingang van het kerkje te Rennes-le-Chateau. Die zou hebben geprobeerd koning Salomo te duperen door deze te dwingen zonder ijzeren gereedschappen zijn mythische paleis te laten bouwen. En daarnaast is het ook weer dezelfde Asmodeus die de zeven eerste huwelijken van Tobias nog voor de consumatie wist te vernietigen!
 Op voorwaarde dat die delving van ijzererts een mogelijk te volgen richting aanduidt is het dan noodzakelijk om te gaan zoeken in enkele galerijen van onderaardse mijnen om eventueel succes te kunnen hebben. Zoals in één van de ijzermijnen in de regio van de Bugarach bijvoorbeeld…
Het is een vreemd verhaal van Jules Verne in welke Michel Lamy (die zeer uitvoerige research in de werken van Jules Verne heeft verricht) meerdere détails terug zou vinden die te maken hebben met het énigma van de Razès.
À propos ‘ijzer’, we kunnen ook kennis nemen van een andere manifestatie van bijna ‘boosaardig’ toeval: Namelijk het boek (eerder al eens gezien) “le mammouth Bleu”( de blauwe mammoet) die is uitgegeven door een zekere ‘Edgar Malfer’. Malfer (slecht ijzer) wat moet men daar nu nog meer over zeggen?
Jules Verne schijnt niet de enige te zijn geweest die zwerftochten ondernam op zoek naar verloren kennis in het grensgebied tussen de Roussillon en de Corbières. Want er zijn ook nog andere schrijvers geweest, en niet allemaal romanschrijvers, die zich vanuit een geheel andere basis vastbeten in de mysterieuze kennis: Maurice Leblanc, Gaston Leroux, Georges Sand, André Malraux, Louis Fédiès, Henri Boudet, Danièl Réju, Serge Hutin, Luc Alberny, om er maar enkelen te noemen.
De meest interessante kwestie, en mogelijk onthutsend, is als men zich gaat afvragen waarom, en daar nog eens bij hoe, deze figuren toegang wisten te krijgen tot zekere kennis terwijl er toch ook een ontelbare hoeveelheid van onderzoekers zouden zijn die dat op gelijke wijze zonder enig succes zouden ondernemen. Dat is iets om toch eens bij stil te staan.
Eén keer deed zich een verrassing voor, tijdens de studie van enkele biografieën. Namelijk dat al deze auteurs deel uit bleken te maken van verschillende ‘inwijdingsgenootschappen’ waarvan sommige enige bekendheid genoten en anderen weer geheel duister zijn.
Een andere overdenking die eveneens tot verrassende conclusies zou kunnen leiden is: Waarom er over deze hele golf van zoekende ‘sterren’ toch maar zo weinig nadere informatie naar buiten zou blijken te komen?
De boodschap die over werd gebracht beperkte zich uiteindelijk tot slechts één exemplaar zonder de mogelijkheid hier ooit nog iets over te kunnen ervaren. Zat er soms de wens bij, gericht aan onze tijdgenoten, het geheim niet meer te openen? Betrof het soms slechts een simpel ongelooflijk, zich herhalend toeval van het lot? Was er soms een gebrek aan voldoende betrouwbare ingewijden? Veel vragen blijven nog onbeantwoord. Misschien is het wel zo dat het toeval tijdens die onderzoeken er voor wist te zorgen dat men slechts een pover figuur sloeg waardoor het maar weer ter zijde wordt gelegd, in een bodemloze put werd geworpen. Maar kan men eigenlijk nog wel serieus over toeval spreken, of over fortuinlijke omstandigheden, als men het aantal gedrukte boeken in ogenschouw neemt die onmiskenbare details bevatten die enkel maar uit die ene regio kunnen stammen en allemaal ook nog eens van de hand zijn van die ene schrijver Jules Verne?
Hoe kon hij op een andere wijze dat uitleggen, wat hij persé wenste te openbaren, dan door middel van zijn helden in een overvloed van verhalen van zijn hand die allemaal weer een ‘sleutel’ lijken te bevatten:
“Voyage au centre de la Terre » (reis naar het middelpunt van de aarde)
“Les Indes Noires” (het zwarte goud)
« Les aventures du capitaine Haterras » (de avonturen van kapitein Haterras)
« Testament d’un excentrique » (testament van een zonderling)
“Les mirifiques aventures de Maitre Antifer » (de wonderbaarlijke avonturen van meester Antifer)
“Les enfants du capitaine Grant » ( de kinderen van kapitein Grant)
« Robur le Conquérant » (Robur de Veroveraar)
« Vingt miles lieus sous les mers » (20.000 mijl onder zee)
« Le sphynx des glaces » ( de ijssfinx)
« La Jangada » ( Eene vlotreis)
« Clovis Dardentor » (Op de grenzen der Woestijn )
« César Cascabel » (César Cascabel)
Een overvloedig voorkomen van de term ‘kapitein’ in die titels, en de aandrang om vooral zekere landmeetkundige coördinaten te vinden van onderaardse ruimtes waar in de diepte verzwolgen schatten rusten naast legendarische geheimen die toevertrouwd zijn aan een discreet spel van woorden en ontzagwekkende rebussen op te lossen met slechts een beetje aandacht en scherpzinnigheid.
Het is nu toch wel noodzakelijk te erkennen dat in de meeste gevallen deze codes en de daarmee verband houdende voorwerpen betrekking hebben op die delen van de Languedoc die onder de namen Roussillon en Razès bekend staan.
Natuurlijk kunnen we daar dan nog aan toevoegen de wetenschappen van St Yves d ‘Alveydre die samen met Onsendowski vermelding maakte van het bestaan van een zekere streek met de naam Agartha, het koninkrijk van de ‘Meester van de wereld’, en de geheime doorgangen die deze onder zijn hoede zou hebben.
Al deze studies, die zich bij elkaar opstapelen zijn het waard nader in ogenschouw te nemen en dan moet toch wel worden vastgesteld dat zij overeenstemming vertonen met zekere locaties uit het verleden die zich tussen de twee Rennes (Noot v/d vertaler: Rennes-les-Bains en Rennes-le-Chateau) en de Bugarach bevinden.
Dan lijkt nu dan toch het moment wel aangebroken om één van de meest merkwaardige gebeurtenissen ter sprake te brengen die verband houdt met grotten en de Bugarach, namelijk de “affaire Bettex”.
Deze zaak bevestigde voor enkelen toch wel het gegeven ‘het dodelijke geheim van de Bugarach’ en voor anderen ook nog ‘de vloek van de berg Thauze’ , die zich daar toch wel op kan roemen door zijn netwerk van onoplosbare raadsels en andere elementen die onze aandacht reeds genoten. Uiteindelijk blijkt het toch wel een onderzoek wat vanaf meet af aan al formidabel was en wat zich wist te ontwikkelen tot allerlei nieuwe ontdekkingen om zo uit te komen bij buitengewone openbaringen, die eindigden, helaas, op een niet terug te draaien, dramatische, wijze.
Vanaf ongeveer 1960 leek de berg Bugarach al het podium voor een aantal merkwaardige onderzoeken. Diverse discrete terreinverkenningen vonden er plaats. Discretie waarvan men de doeltreffendheid kan betwijfelen daar er wel talloze geruchten rondgingen waarvan de ene nog fantastischer was dan de andere. Vaak waren deze beschrijvingen dan te dol voor woorden of volledig onbewijsbaar. Andere waren daarentegen meer ontroerend, en bevatten bewijzen waardoor zij dus sporen na zouden laten op schrift.
Als men zich echter niet teveel vastbijt op louter hard bewijs wordt er wel een veel breder scala van onderzoeken mogelijk. En één zo’n geval zal nu ter sprake gaan komen.
Al die geruchten die rondgingen, en waarvan er sommigen steeds luider begonnen te worden, wisten uiteindelijk de oren te bereiken van een gepassioneerde onderzoeker die zich met de Kathaarse tragedie uit de middeleeuwen bezighield.
Dit gaat nu over meneer Daniël Bettex, een Zwitserse burger die een beroep uitoefende waarbij een grote verantwoording kwam kijken omdat het de veiligheid van strategische punten op het vliegveld van Genève betrof. Zijn sterke persoonlijkheid, zijn beroep en zijn stabiele persoonlijkheid zorgden ervoor dat hij met een zeker vertrouwen kon beginnen aan zijn avontuur, wat natuurlijk onontbeerlijk was om tot in het kleinste detail aan de voorbereidingen te beginnen.
Meneer Bettex nam in eerste instantie contact op met de "Societé du Souvenir et des Etudes Cathares" (genootschap over het Kathaarse erfgoed en studies, een museum daarvan is in de plaats Arques) met welke hij een uitermate goed contact onderhield. Bettex’ vaardige wijze van corresponderen met dit genootschap leverde hem uiteindelijk een aantal locaties op waar hij in alle rust zekere expedities naartoe kon ondernemen om zo aan meer kennis over één en ander te komen. Het was aanvankelijk Déodat Rocher (Noot v/d vertaler: Deodat was de oprichter eerdergenoemd genootschap en in zijn oude huis te Arques bevindt zich dat museum nu) die hem aanspoorde om het gebied rond de Bugarach eens nader te gaan onderzoeken, dit omdat er nog maar weinigen in zijn genootschap waren geweest die dat hadden gedaan.
Meneer Roché raadde hem aan voor meer informatie hierover contact op te nemen met Lucienne Julien, en zij was de secretaris van het genootschap. Deze laatste zou een nauw en regelmatig contact gaan onderhouden met D. Bettex wat betreft zijn onderzoekswerkzaamheden op de Bugarach. Er ontstond langzamerhand een goede relatie tussen de twee onderzoekers die geen van beiden in de regio van de Bugarach woonden, eentje die gebaseerd was op wederzijdse achting en de uitwisseling van vruchtbare ideeën. Het is dan ook van Mevr. L. Julien dat alle details stammen die hieronder zullen volgen.
Met een grote regelmaat, ieder jaar weer opnieuw, vonden die werkzaamheden voortgang. Hij werd steeds meer aangespoord door wat er in allerlei archieven te vinden was en op het terrein zelf gedurende de vakanties.
Het was in eerste instantie de studie van oude registers uit de regio die bij hem een opkomende interesse tot gevolg hadden in oude mijnen en andere onderaardse spelonken in de omgeving. Wat betreft dat onderwerp was het van groot belang om op de plek zelf te zijn.
L. Julien is trouwens een persoon wier integriteit boven enige twijfel verheven is. Haar contacten, die zij in overvloed had wat betreft kennis over de geschiedenis van de Languedoc , boden hem talloze mogelijkheden tot onderzoek, en dan vooral in private bibliotheken waar zich ware schatten aan informatie bleken te bevinden over de locale regio die vrijwel bij niemand bekend was.
Het was op die wijze dat een “herinnering aan de mythologie die betrekking heeft op de Pech de Thauze” (‘mémoire sur la mythologie appliquée au Pech de Thauze’ ) uiteindelijk weer teruggevonden werd Dit universitaire werk was spijtig genoeg nooit officieel gepresenteerd of echt gebruikt. Want wat was er namelijk gebeurd, de auteur ervan werd opgeroepen voor de dienstplicht nadat uitstel was geweigerd, en hij zou een vroege ‘heldendood’ vinden in een volledig verkeerd lopende tegenaanval tegen Duitse troepen.
Maar er bestaat gelukkig nog wel een kopie van zijn verzamelwerk te Narbonne.
In dit proefschrift komen meerdere legendarische en mythische geschriften ter sprake over de eerder vermelde sector en het steunt vooral op in de Pyreneeën terugvonden documenten die stammen uit de 15e eeuw.
Natuurlijk is een mythe niet per definitie een historische realiteit noch een archeologisch bewijs. Een aantal van die eerbiedwaardige geschriften slagen er echter wel in om aan te tonen dat er een vreemde hoeveelheid overeenkomsten is tussen diverse mythologische aspecten en de berg Bugarach. De universiteit had zelf overigens nog enkele fortuinlijke vondsten aan zijn werk weten toe te voegen met betrekking tot deze locatie. Een collectie van twee eeuwen: overblijfselen, getuigenissen, herinneringen en constateringen. Dit alles toonde zeer duidelijk een zeker verband aan tussen zekere mythische verhalen en legendarische ruimtes onder de grond en in de lucht en deze gegevens bleken overal vandaan te zijn gehaald.
Sinds die documenten waren teruggevonden door L. Julien. was er voor D. Bettex niet veel meer nodig om al snel op dit gebied een vreemde chronologie te gaan bespeuren.
De Ruïnes van Miglos... |
 |
| ...zouden een toegang tot Agartha verbergen. |
In de legendarische inhoud van deze mythe is er sprake van een diepe holte, Agartha, en vooral onderaardse ruimtes die gevormd worden door doorgaande, natuurlijk gevormde, gangen of hier en daar een beetje aangepast waar nodig. À propos, de grote catastrofale ondergang van Atlantis, meerdere hardnekkige tradities lijken te willen bevestigen dat één van hun subcontinentale constructies aan de vernietiging destijds had weten te ontkomen. Op de bodem van deze vergeten holtes, die soms onder water staan, zouden dan alle geheimen te vinden zijn van deze legendarische beschaving.
Het is nu zaak zich te realiseren dat verscheidene van de antieke schrijvers, zoals bijvoorbeeld Plato, aantekeningen hadden gemaakt van deze geweldige beschaving met zijn fantastische kennis. Maar het is evengoed zo dat er maar weinig bewijzen bestaan over deze materie, al bestaan er genoeg gevonden elementen her en der, en vooral op de bodem van de oceaan, die er voor wisten te zorgen dat er door de eeuwen heen een gerede twijfel bleef bestaan of het niet toch waar kon zijn gebeurd.
Wat betreft ons gebied nu, er bestaan meerdere verhalen die melding maken van bij toeval teruggevonden toegangspoorten die toegang zouden verschaffen tot Agartha! Men kan deze legendes terugvinden in ver van elkaar verwijderde provincies in Frankrijk zoals in de Haute Loire (Pradelles), l’Ariège (Miglos), Le Massif du Pilat (Annonay), la Bourgogne, la Savoie (le Bourget du Lac), l’Ardeche (St Pierreville) , les Alpes Maritimes (Falicon) la Provence (plateau de Clansaye, Beaux de Provence), les Cévennes (le Temple!) om er maar enkele van de meest bekende op te noemen. De verrassing is, soms, des te groter dat deze verbazingwekkende verhalen aan personen gekoppeld kunnen worden die geen enkele weet hebben van Atlantis, Agartha en de meest essentiële mythes daaromtrent.
Jules Verne ... |
 |
| ...vermoedde een verbinding onder de Bugerach. |
Laten we eraan toevoegen dat, alhoewel alle versies en beschrijvingen iedere keer toch weer een beetje anders zijn, de basis toch geconstrueerd blijkt te zijn op eenzelfde schema:
- Zo vindt men er bijvoorbeeld regelmatig erin terug, het feit dat dieren (katten, honden, kalveren, zelfs varkens! ) of kinderen in zekere openingen vallen en soms enkele dagen later pas weer worden teruggevonden in perfecte gezondheid en in het geheel niet verzwakt. Echter, wat betreft die kinderen, kunnen ze zich niets van hun avontuur herinneren.
- Men hoort ook wel eens over volwassenen (jagers, herders, verdwaalden, stropers, zelfs een magistraat!) die men na enkele dagen afwezigheid terugvindt zonder dat zelfs hun baard lijkt te zijn gegroeid. Maar ook zonder de geringste herinnering aan wat er gebeurd is tijdens hun mogelijke bezoek aan Agartha. Twee getuigenissen verhalen zo over hoe de mannen in kwestie in zo’n doorgang belandden en toen zij uiteindelijk terug wisten te keren in onze wereld was hun haar volledig wit geworden!
- Ondanks dat deze slachtoffers toch in die onderaardse gang stortten hadden zij geen zichtbare sporen van verwondingen of zo op hen als aanduiding van wat hen was overkomen in die duistere plaats en ook niets over hoe ze er weer uit wisten te komen.
- Soms legt men het zo uit dat deze ‘poorten’ onder bewaking staan van reusachtige en veeleisend wezens, die wel weer makkelijk te ontroeren of beet te nemen zouden zijn.
- Dit alles nu wel wetend voegen we er dan ook maar weer de traditionele aanwezigheid van fenomenale schatten aan toe waarvan stoutmoedige getuigen soms een klein deel te pakken zouden weten te krijgen.
- Op het einde volgen dan vaak weer beschrijvingen van reusachtige onderaardse meren die gevoed worden door heuse rivieren. Het vreemde aan die verhalen is dan wel weer dat men die schijnt te hebben kunnen volgen, of over heeft kunnen steken zonder echt te weten hoe ze dat hadden gedaan.
Nadat hij al deze gegevens en documenten tot zich had genomen achtte Daniël Bettex het mogelijk dat er ergens een toegang bestond die tot onder de berg Bugarach zou voeren, één van die fameuze toegangen naar die mythische onderaardse wereld… en hiervan uitgaand wilde hij de plaats zien te lokaliseren en zich te verzekeren van een doorgang.
Hij maakte eveneens aantekeningen over een traditie van een verstopte opening die zich op de Pech de Thauze (de Bugarach dus, het hoogste punt) bevond die uitkwam bij een kalme waterloop , diep maar wel begaanbaar. Hij stelde vast dat er in dit oord sprake moest zijn van een ‘kade’, ‘steiger’ of ‘vertrekpunt’ wat getuigt van een speciale doorgang, in deze sector en dus niet enkel het resultaat is van een geologisch gebeurtenis maar een intentionele ‘halte voor vertrek’ betreft.
Men moet, in dit stadium, zich wel realiseren dat we min of meer zijn beland in het domein van folklore en traditionele mythes. Dit is noodzakelijk want ziehier dat Deze beschrijving, die discreet en op fluistertoon door enkelingen al werd verspreid heeft doorgaans onvoorwaardelijk te maken met de schat van Rennes en het mysterieuze aura wat de Ark des Verbonds zou omgeven waarvan men stellig beweert dat ie wel eens onder de Bugarach zou kunnen zijn!
Als men een resumé gaat houden over juist volgend verhaal in dit genre, wat weliswaar dan wel onder andere omstandigheden plaatsvond, zou men het eenvoudig kunnen houden voor een goede grap of een aanhoudend delirium. Ware het niet dat het in dit geval bevestigd is door Lucienne Julien en een aantal mensen die deze vrouw als iemand beschouwen wier reputatie zonder enige twijfel is. Het huidige verhaalsonderwerp aangaand beschikt zij over foto’s die genomen zijn door D. Bettex en die de ontdekking van zekere sporen laten zien, in de diepte van een holte, op verscheidene stenen in de berg ‘Thauze’.
Nu moet men wel toegeven dat het overkomt als een behoorlijk cliché als men op die foto dan een soort van graffiti ziet en een soort koffertje op een brancard (wat doet denken aan een soort van ‘Arc’) op de achtergrond ziet men dan echter weer wel een landschap wat volledig overeenstemt met dat van de Bugarach, dus bedrog lijkt dan toch uitgesloten!
En natuurlijk circuleert er nu ook een gerucht wat nog sneller gaat dan men het woord ‘geheim’ kan zeggen: Men fluistert dat meneer Bettex heeft gezocht naar dat Bijbelse reliek (Ark des Verbonds) en dat hij de locatie ervan met precisie zou hebben weten te bepalen onder de berg Bugarach!
Daarnaast beweert men ook dat meneer Bettex lid was van een Rozenkruisersgenootschap. Aan de ene kant is dat natuurlijk zeer moeilijk om bevestigd te krijgen en van de andere kant lijkt het er eerder op dat hij deel heeft uitgemaakt van een ander genootschap wat nog veel discreter te werk ging en zich meer richtte op een zeker genre waarover men hooguit speculeren kan. Maar zelfs dan veranderde zo’n lidmaatschap in ieder geval niets aan zijn interesses of de toepassingen daarvan, naast zekere ontwikkelingen daaromtrent tijdens het veldwerk!
Die geruchten gaan zelfs zover dat men beweert dat generaal Moshe Dayan (Israël) persoonlijk geïnteresseerd zou zijn geweest in het onderzoek van Daniel Bettex. En natuurlijk brengt zoiets dan die telkens weer opnieuw opduikende hypothese van de ‘Ark des Verbonds’ in beeld. Men vertelt bijvoorbeeld ook dat de generaal persoonlijk contact op zou hebben genomen met onze onderzoeker, zijn vorderingen in de gaten hield, en hem het advies gaf met alles te stoppen in het geval dat bijzondere voorwerp gevonden zou worden. Hij moest in dat geval hem dan gelijk hiervan op de hoogte brengen en vooral niets aan te raken.
Laten we serieus blijven. Aan de ene kant mag men van onze onderzoeker verwachten dat hij goed op de hoogte was van de Bijbel en die onderdelen daarin waar de Ark ter sprake komt, zoals de gevaren waaraan lieden zich blootstellen als zij dit heilige voorwerp zomaar aanraken. Aan de andere kant, hoe dacht meneer Moshe Dayan direct op discrete wijze te kunnen ingrijpen bij zo’n ontdekking die dan toch geheel op Frans grondgebied plaats zou vinden?
Uiteindelijk bevonden ze zich niet in een soortgelijke setting als die van het ongelooflijke, later behoorlijk geromantiseerde, verhaal van de “Operation Orth”
(Noot v/d vertaler: Zie hiervoor het verhaal van Rennes-le-Chateau waarin de dorpspriester Johann-Salvator von Habsburg, de neef van de keizer van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk over de vloer kreeg tijdens de Eerste wereldoorlog en die onder de schuilnaam ‘ Jean Orth’ ging)
Daniel Bettex had erg veel tijd nodig om uiteindelijk na talloze overpeinzingen de precieze plaats voor zijn onderzoek gevonden te hebben. Toen hij eenmaal die locatie had bepaald besloot hij, opdat hij in alle rust zou kunnen werken, de plaats helemaal voor zich zelf alleen te houden en dus te verzwijgen tegenover anderen.
Daarna begon hij al het materiaal wat hij nodig had voor zijn geplande werkzaamheden bij elkaar te verzamelen. Terwijl hij daarmee opschoot lichtte hij wel Lucienne Julien in die zorgvuldig alle berichtjes en correspondentie zou bewaren zodat we nu nog in staat zijn deze hele kwestie toch een beetje te reconstrueren.
Daniel Bettex scheen op een slimme wijze de sporen van zijn handelingen te hebben uitgewist. Eigenlijk leek hij voor allen gewoon vlijtig zijn onderzoek in de ondergrond van het kasteel van het dorp te vervolgen, met de toestemming van de eigenaar. Die toestemming was overigens ook noodzakelijk voor het verrichten van boringen aldaar. Deze zichtbare activiteiten stelden hem dan in de gelegenheid om allerlei materialen aan te voeren zonder dat er vervelende vragen over zouden kunnen gaan volgen. In de omgeving van het kasteel trokken zijn werkzaamheden alle aandacht, zelfs van die van de autoriteiten.
De inscripties... |
 |
| ...die het mogelijk zouden maken een oord onder de Bugarach te lokaliseren. |
“We wisten te laat”, volgens L. Julien: “ dat in werkelijkheid Daniel Bettex op zoek was naar een oude grot in de flanken van de berg Bugarach.” Het bleek achteraf echter wel dat zijn bezigheden bekend waren bij een andere kleine groep waarvan men zelfs nu nog maar weinig dingen weet.
Na het overlijden van deze onderzoeker circuleerden er gelijk geruchten in esoterische kringen die normaal erg gesloten waren. Met als gevolg de hypotheses dat de onderzoeken een oude dichtgegooide mijn zouden hebben betroffen of een erg diepe laag gelegen grot.
Maar in werkelijkheid weet vandaag de dag niemand echt welke galerij, die diep genoeg was, het moet hebben betroffen. Volgens Lucienne Julien handelde het niet om één van de twee geïnventariseerde steenkoollagen waarmee de onderzoeker was begonnen toen hij zich net voor de Bugarach was gaan interesseren en ook niet om de boringen die hij in het kasteel verrichtte. Hij vertrouwde haar evenwel toe wel genoeg redenen te hebben om te denken aan een zekere connectie tussen die verzameling onverklaarbare graffiti, de restanten van een haardstede en het begin van delfsporen waarvan de sporen willekeurig lijken alsook de plaats waar ze plaatsvonden. De aandacht van Daniel Bettex voor die inscripties was wel dermate dat hij het als nuttig had beoordeeld een compleet overzicht van deze inscripties te maken in deze holte waarbij hij de gewone archeologische gewoontes even wenste te vergeten.
Nu kan men op deze overzichtsfoto toch wel een soort van vreemd koffertje op een soort van brancard onderscheiden, omgeven door weer andere afbeeldingen.
En zo streek de tijd voort en deden er zich momenten van hoop voor, maar ook momenten van onzekerheid. Maar de hoofdpersoon van dit verhaal was niet van het slag dat eenvoudig al snel opgeeft. Daniel Bettex had duidelijk nog behoefte aan aanvullende informatie die zich in het dorpje Bugarach moest bevinden, om meer precies te zijn een element in de gravures die zich weer in de ruïnes van het kasteel zelf bevonden. Daar wist hij zich nog, onbekend hoe, een betrouwbaar overzicht op ware grootte van die inscripties te verschaffen. Later zullen we nog wel meer in detail op dat overzicht terugkomen.
Er zitten wel weer jaren tussen het moment dat hij kopieën maakt van de gravures in die holte, dan die van het kasteel in het dorp Bugarach en zijn latere opgravingen op de plek zelf. Hij vertrouwt wel al zijn verwachtingen aan L. Julien toe, haar verklarend hoe overtuigd hij ervan is bij de juiste holte terecht te zijn gekomen (en niet die van het kasteel) en dat ie nog enkele maanden daarvoor nodig heeft. In meer precieze details onderricht hij haar dan dat hij een fabelachtig depot naar boven wil gaan halen wat al het voorstelbare overtreft. Een ongehoorde openbaring!
In het jaar 1988 gaat alles dan erg snel. Lucienne Julien weet te vertellen hoe hij haar snel even opzocht in Narbonne bij een gelegenheid dat hij materieel bevoorraad werd. De man, gewoonlijk de rust zelve wat nergens door verstoord kan worden, verkeerde in een ongewoon opgewonden staat.
Op dat moment stelde hij haar ervan op de hoogte dat hij vrijwel klaar was met zijn grondwerk en dat hij nog maar vier of vijf dagen verwijderd was van zijn uiteindelijke doel. Lucienne herinnert zich dat hij tegen haar zei: “Juffrouw Julien, dit was het zo’n beetje. In minder dan een week tijd kan ik voor u een deeltje van een onvoorstelbare schat mee terugnemen. U zult immens rijk worden!”
Drie dagen later vernam ze dat meneer Daniel Bettex uiteindelijk was teruggevonden op de Bugarach. In een zeer slechte staat van gezondheid!
Wat betreft dit onderdeel, de versies die over het einde van zijn leven gaan lopen op een erg vreemde manier uiteen. Voor enkelen was het zo dat het persé willen onthullen van die mysterieuze galerij in de berg wel moest ontaarden in een gewelddadige dood om hem de mond te snoeren. Voor weer anderen daarentegen had hij zich gewoon uitgeput en verzwakt teruggetrokken in zijn geboorteland en was daar al snel aan een hartkwaal zijn bezweken.
Maar weer andere niet te verifiëren geruchten, die wel erg hardnekkig bleken, hebben het over een verpletterende dood op de plek waar hij zich op dat moment bevond in de Bugarach. Hierzou hij zijn gestorven, zegt men, in een onderaardse galerij en daarna door aarde zijn bedolven. Uiteindelijk, legt men uit, werd hij daar toen vrijwel levenloos gevonden in een holte en zou hij snel erna sterven ten gevolge van een onverklaarbare uitdroging. En van die kant hoort men ook nog wel een verhaal dat hij die grot wel zou weten hebben te verlaten en dat hij pas in elkaar zou zijn gezakt toen hij de eerste huizen van het dorpje Bugarach had bereikt. Getroffen door een dodelijke hartaanval.
Zo weet men dus veel te vertellen over de dood van Daniel Bettex. Ergens te veel maar ergens ook niet genoeg!
Uit respect of misschien uit fatsoen, onder dergelijke pijnlijke omstandigheden, wil men eigenlijk helemaal niets te veel zeggen uit angst voor het eventueel verspreiden van boze praatjes die de reële herinnering aan een persoon van buiten de gemeenschap aan zou kunnen tasten en natuurlijk ook uit respect voor zijn familie.
Het vervolg van dit verhaal is echter van een heel andere orde. Lucienne Julien stelt, enkele maanden na het catastrofale overlijden, voor om de onderzoeken te hervatten op de destijds door Bettex aangegeven locatie, dan door een groep die uit leden van de Societe du Souvenir et des Etudes Cathares zou bestaan. Dientengevolge nam ze contact op met de betrokken diensten, in dit geval het ministerie van cultuur die toen in de regering zat. Zij moest eerst meerdere malen schrijven voordat ze uiteindelijk één keer antwoord kreeg met een negatief beslissing. De afdeling die daarover ging deelde haar laconiek mee dat er geen sprake van kon zijn dat wie dan ook het op zich neemt die onderzoeken te hervatten. Met daar nog bovenop dat het volledig verboden is om zulke werkzaamheden op de Bugarach uit te voeren! Lucienne Julien zou uitvinden dat er gruis en beton zou zijn gestort (zoals eveneens in de sporen van Bettex’ opgravingen onder het kasteel) in de holte waarin men hem vond zodat de doorgang naar ‘een’ holte voorgoed versperd zou zijn.
Maar één vraag is nog altijd onbeantwoord gebleven, of althans bijna: Meneer Daniel Bettex, heeft hij op de bodem van zijn opgravingen enkel slechts de dood gevonden, of ook nog iets anders? En als hij zich eerst tegenover een zekere andere ‘vondst’ zag geplaatst, wat was het dan dat het zijn dood tot gevolg had en naderhand zulks een reactie van regeringswege tot gevolg had dat de ‘vermoedelijke’ doorgang werd afgedicht zodat in ieder geval één holte nooit meer kon worden betreden?
Want was er niet al die tijd beweerd dat hij sowieso buiten die galerij door de dood werd getroffen en niet erin? Als dit inderdaad het geval is dan zijn deze maatregelen niet specifiek getroffen omdat er sprake zou zijn van een blijvend gevaar of risico als men het achterwege liet en dat maakt het dan des te merkwaardiger dat men deze radicale en voortvarende maatregelen heeft getroffen!
Welk daadwerkelijk ander gevaar dan hooguit een chronische vermoeidheid door veel te lang en doortastend onderzoek kan zich in die galerij hebben bevonden nadat er wel al vele maanden achtereen zonder enig probleem in was gewerkt door Daniel Bettex?
En wat het nog meer delicaat maakt: de locale autoriteiten wisten wel van de werkzaamheden van Daniel Bettex bij de Bugarach af, een merkwaardig verbod volgt pas na zijn overlijden en wordt gepresenteerd alsof het altijd reeds van kracht was. Waarom heeft men gewacht tot na deze dramatische wending met alles een halt toeroepen en te verbieden? Het beroep van de onderzoeker in aanmerking genomen was het simpel geweest om hem de informeren dat zijn onderzoeken waren verboden door de Franse wet (als dat tenminste toen al het geval was), en Bettex had dan uit respect voor die wetgeving dit verbod heus niet naast zich neer willen leggen.
Had men die schijnbaar illegale werkzaamheden voorheen voortgang laten vinden in de hoop dat het resultaat op zou leveren of was het puur door simpele nalatigheid? En is het wel waar dat vertegenwoordigers van de overheid steeds minder belangstelling vertoonden in de boringen onder het kasteel?
Dit zijn zo van die vragen die zonder twijfel toch overblijven en waar nog steeds geen bevredigend antwoord op is gekomen. Of wel?
Eén van de schrijvers/onderzoekers die zich met de Bugarach bezig zou houden is nog niet besproken. De kans is reëel dat Daniël Bettex met enkele onderzoeksresultaten van deze persoons in aanraking is gekomen. De geheimzinnige persoon die nu besproken wordt leefde een kleine eeuw eerder dan Bettex, we hebben het over de negentiende eeuwse priester van Rennes-les-Bains: abbé Henri Boudet.
Deze collega/vriend van de welgekende abbé Berenger Saunière uit het inmiddels beroemde Rennes-le-Chateau mysterie had namelijk enkele zeer opmerkelijke hobby’s: klassieke talen en megalieten. Afgezien van het gegeven dat hij ernaar streefde de oorsprong aller talen te achterhalen had hij de vaste overtuiging dat er stenen waren die een zeker mysterie in zich droegen dat aan de sprekers van die oude talen nog bekend was geweest.
Henri Boudet stond algemeen bekend als een erudiet wetenschapper. Het is daarom des te opmerkelijker te noemen dat twee van zijn werken uiterst mysterieus zijn. Volgens sommige critici zelfs volledig ridicuul en absurd. Het eerste van de twee is een boek dat de lange titel draagt: "La vraie langue celtique et les cromlechs de Rennes-les-Bains" (1886 – de ware Keltische taal en de cromlechs van Rennes-les-Bains)
Dit betrof een boek met een bizarre hypothese over de oertaal van de mensen die verantwoordelijk zouden zijn voor alle megalithische monumenten die men in en rond zijn geboortestreek zo talrijk tegenkomt. In het werk zou hij concluderen dat het Angelsaksisch de voorloper was van alle klassieke talen, waaronder zelfs het Hebreeuws. Hij had dit boek geïllustreerd met een zelfgetekende kaart waarop de plaatsen met diverse rotsformaties voorkwamen die volgens hem een bepaalde religieuze betekenis hebben gehad voor die eerste bewoners.
Vijf jaar na het verschijnen van dit boek waagde Boudet zich aan een nieuw werk waarin hij de lezer duidelijk wenste te maken wat precies die religieuze betekenis van de rotsformaties kon zijn. Dat hij daar een diepere betekenis achter zocht moge duidelijk zijn. In dat nieuwe boek scheen er een geologische bijzonderheid in het bijzonder zijn aandacht hebben: de Bugarach.
Evenals in het eerder genoemde boek ‘la vraie langue celtique’ leek hij er opnieuw een bizarre theorie in uit te willen werken. Deze keer met de Nieuwtestamentische figuur Lazarus van Bethanië (de broer van Maria Magdalena en Martha) in de hoofdrol. Boudet zou naar Rennes-les-Bains zijn gereisd om er een kuur te ondergaan van het geneeskrachtige water dat hier vrijelijk vloeit, maar tussen de regels door leek hij iets heel anders aan te willen geven.
De meeste onderzoekers zijn het er over eens dat Boudet in een bepaalde code moet hebben geschreven. Dit boek zou meerdere malen worden herschreven en nooit officiëel worden uitgegeven. Er zijn echter nog exemplaren in het bezit van particulieren die het angstvallig schijnen te koesteren. Welke geheimen staan erin?
Tijdens lezingen in Alet-les-Bains en Rennes-les-Bains (2004 en 2005) die gehouden werden door een Franse ‘chercheur’, ene Monsieur Jean Sinet, werden wij op dit werk geattendeerd en mochten wij horen over de connectie van dit laatste werk met de Bugarach.
Als men hierboven goed naar Boudets zelfgemaakte illustratie kijkt (die op de uitgave van 1891 staat) dan valt te ontdekken dat het gezicht van de persoon het profiel van de berg Bugarach vertoont, maar dan een kwart slag gedraaid:

Zo kwam ter sprake dat, volgens Boudet, de Bugarach wel eens de reflectie kon zijn van de ‘Berg des Heeren’ waar men in het Oude testament nogal eens aan refereert. Eén van de namen van de God der Joden is naast YHWH namelijk ook wel 'El Shaddai' wat zoveel als 'de Heer van de Berg' betekent. De berg waar Mozes, dé profeet der Joden, voor het eerst met God werd geconfronteerd was op een berg, vandaar die naam.
Na bestudering van het Oudtestamentische verhaal over Mozes en de 'Berg van God' menen velen vast te mogen stellen dat het er weg van heeft dat Mozes tijdens zijn verblijf aldaar in een 'andere wereld' moest zijn geweest. Hij ging met niets naar boven en kwam met volledig gegraveerde tabletten terug naar beneden. En dan is er nog het zeer 'ketterse', gnostische geschrift dat 'Wetenswaardigheden van Maria' heet en een bezoek van Jezus en Maria aan een zekere 'heilige' berg behandelt.
Dat Boudet, toen hij die afbeelding maakte, eigenlijk meer aan Jezus dan aan Lazarus had gedacht wordt duidelijk als men de omslag van een latere uitgave bekijkt. Daar zie je rechts een afbeelding van. Het is duidelijk: het hoofd met de doornenkroon kan enkel en alleen maar dat van Jezus zelf zijn
De heiligdommen der eerste Israëlieten stonden altijd op een berg. Eén berg is daarvoor het ultieme voorbeeld gebleven: de 'Berg van God'. De plaats waar de aartsvader der Israëlieten, Jacob, zijn droom had over een trap die naar de hemel voerde en waarlangs engelen afdaalden en omhoog gingen.
Kan men de verhalen van Jules Verne als een echo van dit Bijbelse verhaal beschouwen?
Mogelijk wel.
Jacob zou de plaats met een steen hebben gemarkeerd. Later zou daar het eerste Israëlitische 'Godshuis' herrijzen, namelijk 'Beth El.' Dat betekent 'huis van God' in het Hebreeuws. Zorgvuldig onderzoek maakt waarschijnlijk dat dit dezelfde plaats was waar naderhand Mozes zijn volk tijdens de exodus uit Egypte heen zou leiden, en waar hij met God zelf zou spreken.
Volgens de middeleeuwse Tempeliers zou het gebied rondom de Bugarach een reflectie van het land aan de overzijde van de Middellandse zee zijn. Daarom kochten ze er veel land. Toen Palestina aan de moslims moesten worden prijsgegeven trokken velen van hen zich terug aan deze zijde van de Middellandse zee. In navolging van hen zouden occulte groeperingen in de 18e en 19e eeuwse Languedoc dezelfde overtuiging blijven koesteren. Nieuw Jeruzalem noemden zij het gebied van de Razès.
De Bugarach zou dus de Europese reflectie van de ‘Berg van God’ zijn? Is dat misschien het geheim van de mysterieuze Henri Boudet? Was dat het soms wat die Zwitserse onderzoeker te veel was geworden?
Toen Jacob uit zijn slaap ontwaakte, zeide hij: "Waarlijk, de Here is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten".
En hij vreesde en zeide: "Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niets anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels" 
 |