Chemotherapie
of
‘Wie geneest, heeft gelijk!’

Graag vang ik aan met de opmerking dat ik oprecht hoop bij een dergelijk controversieel onderwerp over de wijsheid te mogen beschikken de juiste toon te treffen, aangezien het geenszins mijn doel is olie op het vuur te gooien, doch om begrip te kweken voor de noodzaak, dat zo spoedig mogelijk een wezenlijk andere weg wordt ingeslagen bij de behandeling van kanker. Henk TrentelmanIk zal u dan ook vanuit de mijzelf opgelegde beperkingen niet lastig vallen met de werkelijke cijfers ter zake van vermeende resultaten bereikt met behandeling door chemotherapie.

Aangezien ik mij reeds een tiental jaren intensief en belangeloos bezig houd met de begeleiding van voor het merendeel terminale kankerpatiënten, kan mij de uit de eerste hand verkregen informatie op dit specifieke terrein moeilijk worden ontzegd; er is sprake van een onzegbaar leed!
Toch meen ik, onder behoud van het bovenstaande, een korte inleiding nodig te hebben voor de juiste beeldvorming van de onderhavige problematiek en wat is in dit geval meer onverdacht dan de verwijzing naar de schokkende cijfers, ontleend aan een uniek onderzoek van een team onder leiding van professor kinderoncologie Huib Caron van het Emma Kinderziekenhuis AMC.
De desbetreffende onderzoekers zijn in 1996 begonnen om alle kinderen op te sporen die voor enige vorm van kanker behandeld zijn in het Emma Kinderziekenhuis in de periode 1966 tot 1996; gedurende een tijdsverloop van 30 jaar derhalve.

Van alle overlevenden (!) heeft 95%, zijnde 1.362 patiënten, meegedaan aan een zeer uitvoerig gezondheidsonderzoek; de gemiddelde leeftijd van deze groep overlevenden is nu 24 jaar.
Ten behoeve van dit onderzoek werd door het AMC in 1996 de Polikliniek Late Effecten Kindertumoren (de zgn. PLEK-poli) opgezet om deze 1.362 ex-patiënten, opgespoord via de toenmalige huisartsen en de burgerlijke stand, te onderzoeken. De resultaten van het onderzoek van prof. Caron en zijn collega’s werden gepubliceerd in het jaarlijkse themanummer van het prestigieuze Amerikaanse medische tijdschrift JAMA (Journal of the American Medical Association), dat september 2007 verschenen is. Het kan dan ook niet aan de aandacht van de medisch specialisten in Nederland ontgaan zijn!
Met het doel de strekking van het komende betoog kracht bij te zetten - en niets meer dan dat - ontleen ik enkele cijfers aan dat onderzoek en begin ik met een citaat.
Huib Caron stelt, dat zijn collega’s en hij geschokt waren door hun eigen onderzoeksresultaten; ik citeer in dat verband:

“Als kinderarts wil je kinderen genezen. Nu ruilen we één ernstig probleem in voor soms wel drie andere. Je kunt maar één conclusie trekken: we doen het als dokters niet goed genoeg.”

Een uitspraak, die naar mijn opvatting getuigt van grote en ongekende openhartigheid en een zeer hoog ethisch normbesef, voor welke ik het grootst mogelijke respect heb.
Ik geef u enkele cijfers om zijn conclusie te onderbouwen en in het juiste licht te plaatsen.
De ernstige of levensbedreigende ziekten waaraan veertig procent van de overlevenden aan kinderkanker lijdt zijn een rechtstreeks gevolg van de behandelingen die ze hebben gehad.
Caron: “Het soort aandoeningen waar het om gaat komt bij 24-jarigen eigenlijk niet voor.”
Van de voormalige kinderkankerpatiënten krijgt 75 procent (!) één of meer problemen met de gezondheid als gevolg van de behandeling; 25 procent zelfs vijf of méér tegelijk!
Caron pleit er dan ook voor om iedereen die een vorm van kinderkanker heeft overleefd, levenslang onder controle te houden voor nazorg. Daardoor kan vroegtijdig ingegrepen worden als zich nieuwe ziekten voordoen en kan ernstige gezondheidsschade beperkt of voorkomen worden.
Het is dan ook vanuit deze benadering dat alle kinderen die ná 1996 voor kanker behandeld zijn, onder controle blijven van de hiervoor genoemde PLEK-poli.

Intussen hebben alle 7 kinderoncologische centra in Nederland een dergelijke poli en deze centra hebben hun werkwijze onderling op elkaar afgestemd en afgesproken wat de beste manieren zijn om late gevolgen van behandelingen vroegtijdig op te sporen. Tevens hebben ze vastgesteld voor welke late gevolgen van behandeling die vroege opsporing zinvol is; vermeldenswaard in dat verband zijn onder meer psychische problemen en secundaire kankers. Met name die secundaire kankers zullen hierna mede onderwerp zijn van mijn pleidooi.
De samenwerkende oncologen leggen op dit moment de laatste hand aan een lijst met tientallen late gevolgen van kindertumoren waarvan vroege opsporing belangrijk is.

Tot slot van mijn inleidende opmerkingen zij dan nog opgemerkt, dat het onderzoek van het AMC-team zijn weerga in de medische wereld niet kent. Er is nog nooit een onderzoek gedaan naar alle gezondheidsgevolgen van de medische behandelingen die kinderen met kanker hebben gehad. Tot dusverre beperkte dat onderzoek zich altijd tot slechts één vraag, bijvoorbeeld of de darmkanker waarvoor een kind genezen was, op latere leeftijd terugkeerde. Wellicht geeft dit ook u enige inzage in de betrouwbaarheid van de ons verstrekte informatie met betrekking tot de statistieken in relatie tot chemotherapie voor zover het de genezingsclaim aangaat!

We dienen ons in het licht van bovenstaande te realiseren, dat de medisch specialist bij de behandeling van kanker slechts zeer beperkte mogelijkheden tot zijn beschikking heeft.
Chemotherapie put de cellen van het merg en het bloed drastisch uit; chemotherapie vergiftigt de lever op onomkeerbare wijze, zodat deze belemmerd wordt om nieuwe verdedigingselementen aan te maken; chemotherapie vernietigt meedogenloos de zenuwcellen, waardoor het reactievermogen van het aangetaste orgaan verzwakt en wordt overgeleverd aan de genade van de indringer.
Bestraling kan bij enkele tumoren een zeer goed en snel wapen zijn, te weten bij afgebakende locaties op het bot - maar dan met simultane toediening van geneesmiddelen ter bescherming van het botweefsel - en bij lymfklieren.
Operaties zijn in bepaalde gevallen en op beperkte wijze uiterst nuttig; als voorbeelden mogen daarbij gelden neoplasmata in de darmen en alle testikeltumoren.
Om aan deze beperkingen en de geschetste nadelen tegemoet te komen is het een goed vertrekpunt om vast te stellen, dat de genetica in de loop van de achterliggende decennia een te sterk accent heeft gekregen en dat het nu de hoogste tijd wordt om in ons denken plaats te maken voor het inzicht dat degeneratieve ziekten niet expliciet behoren te worden toegeschreven aan genetische en omgevingsfactoren, doch dat tevens infecties daar een gerechtvaardigde plaats hebben. In dat geval wordt het antwoord op de vraag naar wat een ziekte veroorzaakt gevonden in het vakgebied van de microbiologie en zullen we het accent moet verleggen naar het onderzoek op het terrein van virussen, subvirussen en schimmels. Er blijkt een grote samenhang te zijn tussen micro-organismen en degeneratieve ziekten; met name de mycologie (de leer over het rijk der schimmels) zou wel eens de juiste antwoorden kunnen verschaffen op het fenomeen van de tumoren. Meer expliciet gesteld: ik hoop uw aandacht te kunnen vasthouden voor de geldigheid van de redenering dat een schimmelinfectie -vooral door candida- de verklaring kan zijn voor het ontstaan van een tumor; sterker nog, dat - evenals in de plantenwereld - alle soorten kanker voortkomen uit een schimmel.
Vanuit het adagium ‘Wie geneest, heeft gelijk’ zal ik naast de argumentatie voor deze benadering tevens enkele concrete behandelingsgevallen vanuit deze visie onder uw aandacht brengen.

Wordt spoedig vervolgd...

Zennie: http://eqgen.nl/html/gezondheid_rife.html
(bericht gewijzigd op 10-11-2007 14:00:22)
Op 10-11-2007 14:00:22 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Op 12-11-2007 23:26:23 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
fan:

Henk Trentelman boegbeeld van de WWK opgenomen in ziekenhuis

http://welzijnkanker.nl/agenda.htm
Op 08-01-2010 22:40:08 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden