1 + 1 = Associatief vermogen

Recent onderzoek toonde aan dat kinderen worden geboren met een soort rekenzintuig. Ze kunnen vergelijken, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, zelfs al hebben ze nog geen seconde rekenles gevolgd. hersenboomOnze hersenen werken helemaal volgens het oude stramien meten is weten.
Ieder mens is constant bezig met vergelijken, wikken en wegen. Dit zogeheten associatief vermogen is zeer belangrijk voor de manier waarop we met onszelf, elkaar en de omgeving omgaan. Deze eigenschap zorgt er namelijk voor dat de perceptuele wereld wordt onderverdeeld op basis van persoonlijke waarden. Het zorgt er ook voor dat we kunnen begrijpen wat we ervaren. Moest er niets verdeeld worden op basis van ‘norm’ en ‘waarde’ dan zou er ook op geen enkele manier begrip kunnen ontstaan. In zo’n geval zouden we drijven op de ervaring zonder stil te staan bij de betekenis ervan, als een wolk in de lucht. Of als botsende wolken, vol onbegrip tegenover elkaar.

Misschien merkte je het al. Eén van de mooiste voorbeelden die de kracht van de menselijke associatie duidelijk maakt vind ik de mogelijkheid om metaforen te gebruiken en te begrijpen. Een metafoor is een stijlfiguur waarbij een begrip uit één domein verwijst naar een ander domein door middel van een beeld. Aan de hand daarvan kunnen we soms inzicht verkrijgen op gebieden waar een directe benadering geen helderheid biedt. Het is als het ware een reflectiegereedschap die het associatief vermogen prikkelt om op een andere manier na te denken over iets. Of, om in de eerder gebruikte metafoor te blijven, het is een middel om in het grote bos van neuronenbomen twee parallelle wandelpaden met elkaar te vergelijken.

Denk echter niet dat alleen koning mens beschikt over een associatief vermogen. Zelfs schapen weten van wollen wanten. Hun associatief vermogen kenmerkt zich in het herkennen van gezichten. Volgens sommigen zou dit de reden zijn waarom dit dier zich gemakkelijk kan settelen bij mensen die ze vertrouwen. Dat is een redelijk uitzonderlijk iets, een tijger of grizzlybeer moet je bijvoorbeeld niet als vrij rondlopend huisdier willen. In het begin kunnen ze er misschien schattig en lief uitzien en zich ook zo gedragen, maar vroeg of laat vallen ze je aan omdat hun ingebakken instinct gaat overheersen.

De Russische fysioloog Ivan Petrovich Pavlov deed in het begin van de twintigste eeuw enkele experimenten die aantoonden dat ook honden goed kunnen associëren. Dat deed hij door een bel te laten rinkelen voordat de dieren te eten kregen. Door dit te herhalen, wat we conditioneren noemen, duurde het niet lang totdat de honden begonnen te kwijlen bij het horen van de klank. Ze geloofden dat er een lekkere maaltijd volgde, de associatie tussen het geluid en een smulbeurt was gelegd. Dit fenomeen, aanpassing door middel van conditionering, gaat sindsdien door het leven als de pavlovreactie.

De Amerikaanse geneticus Tim Tully ging nog een stapje verder aan de hand van zijn onderzoek naar fruitvliegjes. Net zoals Pavlov gebruikte hij conditionering om te kijken hoe het associatief vermogen zich ontwikkelde. Hij deed dit door geuren te koppelen aan de ervaring van een elektrische schok. Waar alle vliegen eerst onverschillig waren voor een bepaalde geur probeerde 95% nu zo snel mogelijk de reuk te vermijden. De kleine vervelende fladderaars hadden het verband tussen oorzaak (geur) en gevolg (schok) succesvol gelegd.

De mens zit natuurlijk anders in elkaar dan een fruitvlieg, maar op dat gebied is er weinig verschil. Uiteindelijk gebruikt ieder dier zijn instincten en ook de mens stinct daar telkens weer in. Enkele flinke ampères door je lichaam tijdens het neerleggen van de sleutelbos zouden dus helpen om ze de volgende keer héél snel weer terug te vinden. Misschien een tip?

Sprankelende geheugenbronnen

Waar komt de mogelijkheid tot associëren dan vandaan? Het is geen eigenschap die strikt aan de hersenen kan worden toegeschreven. Dat werd duidelijk toen professor Tully zo’n vijftig genen vond die allen verantwoordelijk zijn voor het geheugen. Vooral het CREB-gen is bepalend voor de verbindingskracht tussen neuronen. Dit gen is aanwezig bij alle diersoorten, ook bij de mens. De geneticus constateerde dat normale vliegen een defect gen hadden. Door het opnieuw te activeren zag hij dat de verbinding tussen neuronen sterker werd. Zonder genetische modificatie duurde het zo’n tien schokken eer de fruitvlieg zich realiseerde dat de geur garant stond voor onprettige gevolgen. Ná de CREB-wijziging was dat na de allereerste schok al duidelijk. Hij concludeerde zelfs dat ze een soort fotografisch geheugen hadden verkregen. Ze namen meteen consequenties bij het waarnemen van nadelige situaties en stootten zich zelden een tweede keer aan dezelfde steen.

Om te kunnen associëren hebben we een geheugen nodig. Zonder ergens uit te putten vallen er immers geen associaties te maken. Maar op welke plaats in de hersenen kunnen we die oneindige databank precies terugvinden? Het antwoord is niet zo eenvoudig want waar ook gezocht wordt, er zit een soort van Dr. K.S. Lashleygeheugen. De hersenen lijken slechts het afleesmechanisme te zijn, het associatie-instrument.
In 1920 experimenteerde Karl Lashley met ratten. Hij had een constructie gebouwd waarin de knagers via verschillende deurtjes bij hun voedsel konden komen. Kozen ze voor de foutieve weg of reageerden ze verkeerd, dan vielen ze in een bak met water. Hij conditioneerde de ratten totdat ze het trucje onder de knie hadden. Het experiment gebeurde met de chirurgische precisie van een olifant in een porceleinkast want met behulp van de verhitte krultang van zijn vrouw brandde hij stukjes brein weg. Nadat het beestje was afgekoeld mocht het opnieuw zijn kunstje doen. Lashley constateerde dat de motorische vermogens drastisch verminderen maar ze bleven tóch de weg naar het voedsel onthouden. Zelfs bij zware verminking en het volledig wegbranden bleef een deel van het geheugen intact! Bij andere experimenten sneed Lashley de oogzenuwen van een kat vrijwel doormidden en constateerde hij dat het gezichtsvermogen er niet op achteruit ging.

De Amerikaanse bioloog Paul Pietsch geloofde het allemaal niet zo en deed eigen onderzoeken. Zijn mening (gebaseerd op meer dan zevenhonderd experimenten) wijzigde toen hij erachter kwam dat de hersenen van een salamander verwijderd konden worden zónder geheugenbeschadiging bij het later terugplaatsen. Het dier was tijdens zijn breindood leven in een coma en had nadien natuurlijk een recuperatieperiode nodig maar er volgde wel herstel. Zelfs bij het verplaatsen, vermalen of amputeren van hersendelen bleef het geheugen bewaard.

Deze gegevens bevestigen de theorieën van de Amerikaanse neurochirurg Karl Pribram. Volgens hem bestaan alle vormen van communicatie en interactie die tot geheugen leiden uit golfjes die met elkaar interfereren. Dat maakt van onze persoonlijk waargenomen wereld letterlijk een hologram, een projectie uit meerdere lagen en samensmeltingen van die niveaus. Neuronen, zenuwen, bloedcellen, overal wordt gesproken in een taal van fases, amplitudes, frequenties en golflengtes. Ons geheugen bevindt zich dus niet in een centraal deel van de hersenen noch op één vaste plaats het lichaam. Dat is geen unieke gedachte, want in een kwantummechanische wereld heeft ieder deeltje zijn eigen vorm van geheugen en dat lijkt dus ook op te gaan voor iedere cel in het lichaam.

In Stockholm zette men liever de tanden in dit vraagstuk. Sinds 1988 hebben onderzoekers bijna Een poes met goed geheugentweeduizend mensen in de leeftijd tussen 35 en 90 jaar onderzocht. In 2004 waren de eerst indicatieve resultaten van de studie klaar. Al die jaren vergeleken ze het geheugen van diegene die nog hun eigen gebit hadden met proefpersonen met een kunstgebit.
‘Tanden en kiezen blijken uiterst belangrijk voor ons geheugen,’ zei Jan Bergdahl, hoogleraar psychologie, tandarts en een van de schrijvers van de studie, ‘als mensen geen tanden en kiezen meer hebben is hun geheugen duidelijk slechter.’
Het gaat zelfs zover dat de tandarts bij iedere verwijderde kies letterlijk een stukje van het geheugen van zijn patiënt verwijdert. Een reden te meer om bang te zijn van de kiezentrekker.
Het Zweedse onderzoek onthult niet wat het trekken van één tand of kies precies met het geheugen doet. Dat willen de wetenschappers nog onderzoeken, net als hoeveel tanden en kiezen iemand kan missen zonder dat het nadelige invloed heeft. De grenzen in dit gebied zijn nog mistig.

Doe dergelijke macabere onderzoeken trouwens niet bij je eigen huisdier. Sla ze geen tanden uit of verbrand geen delen van het brein want de motoriek lijdt er natuurlijk wél enigszins onder. Denk niet dat Fifi nog met hetzelfde enthousiasme pootjes of kopjes zal geven als je de krultang of bokshandschoen het werk laat doen.

Wordt vervolgd...

 

Emie : Interessante blogreeks! Even optillen.
Is it electrickery?
Op 23-09-2010 13:12:21 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden