Aan de voet van de berg van God.

In het vorige deel waren we aan de voet van de Berg van God aanbeland. We moesten nog wel uitzoeken hoe we het beste omhoog konden gaan, maar eerst wilden we Petra nog wat verder gaan verkennen. Want het eerste deel van wat we van deze bijzondere plaats te zien hadden gekregen had enkel in het teken van de ‘Dood’ gestaan. De smalle dalen aan het begin van Petra hadden enkel vele graftombes in de rotswanden gehad. Mooie monumenten, uit het zandsteen gehouwen, voor belangrijke lieden die dicht bij God begraven hadden willen worden.

Voordat we aan de beklimming van de Berg van God zouden beginnen wilden we eerst nog dat gedeelte van Petra gaan bezoeken dat ooit door levende mensen was bewoond . Dat bevond zich op een punt waar het dal van Edom veel breder werd.

We lieten de meest prominent aanwezige Berg van Seïr (de Berg van God) - de Djebel Madhbah, wat zoveel als ‘berg van de Hoogte’ betekent - even achter ons en liepen nu richting de hoofdstraat van Petra. De Cardo Maximus, die uit de Romeinse periode stamt. Toen we even achterom keken naar die Berg moesten we denken aan een schilderij van het Hebreeuwse volk tijdens de Exodus, terwijl Mozes op die Berg met God sprak.

De vlakte waar we ons nu bevonden kon enkel maar dezelfde zijn waar de vluchtelingen uit Egypte destijds lang op hun leider hadden moeten wachten. Want enkel deze plek in Petra bood voldoende plaats voor een grote groep vluchtelingen om er een kamp te kunnen opslaan. Het houdt tevens in dat dit de plaats moet zijn geweest waar de almaar wachtende Hebreeën uiteindelijk hun geduld zouden zijn verloren (40 dagen en nachten!).

Het verhaal zoals het door de Judeeërs op schrift zou zijn gezet weet te vermelden dat de Hebreeën tijdens dit wachten op een zeker moment terug waren gevallen op hun normale ‘afgoderij’. Zij hadden toen gouden sierraden omgesmolten om er een gouden ‘kalf’ van te maken. Nadat Mozes eindelijk weer beneden was aangekomen met de door God geschreven Stenen Tafelen waarop de Tien Geboden stonden, - zou het zien van deze afgoderij hem dermate opgewonden hebben dat hij die Stenen Tafelen kapot had gesmeten en alle initiatiefnemers van deze handelingen terstond had laten doden. Zo staat het verhaal tenminste in Exodus 32:15-28.

Hier zitten echter duidelijk een aantal inconsistenties in die verraden dat het op deze wijze in het Hebreeuwse Oude Testament geschreven verhaal vooral om politieke doeleinden zo is samengesteld. Laten we het eens onder de loep gaan nemen.
Hoe kan de Mozes uit dit verhaal het de Hebreeën bijvoorbeeld kwalijk nemen een ‘afgodsbeeld’ - of een beeltenis van hun God - te vereren als het gebod dat dit expliciet verbood nog niet bij hen bekend was? Mozes had namelijk zelf pas op die Berg de Geboden ontvangen om ze aan zijn volk te geven!

Daar komt dan nog bij dat die Geboden het verboden een medemens te doden en het eerste wat Mozes doet als hij ziet waar de Hebreeën zich mee bezig houden is de verantwoordelijken laten doden. Nadat hij eerst dat kostbare geschenk van God in onbeheerste woede kapot had gesmeten!
Schijnbaar kon het diegenen die dit verhaal op schrift zouden zetten destijds niets schelen dat deze duidelijke paradox erin kwam te staan, maar het heeft er juist hierdoor wel alle schijn van dat het wel eens enigszins anders kan zijn gegaan.

Ten eerste schept het al reden tot nadenken dat de Hebreeën - bezorgd als zij waren over het wegblijven van hun leider - hun nieuwe God gunstig probeerden te stemmen door een afgodsbeeld voor Hem te maken in de vorm van een kalf. Waar Mozes’ broer Aäron, als de ingewijde en plaatsvervanger van zijn broer, overigens geheel geen bezwaar tegen scheen te hebben.
Een kalf is echter een jonge koe of stier! En nu wil het geval dat stieren in alle landen rond het oostelijk Mediterrane bekken een soort van heilige dieren waren. Het mooiste voorbeeld hiervan is misschien nog wel de Minoïsche stier van het eiland Kreta, waar de vrouwen zich overigens kleedden, en de godinnen er eveneens uitzagen, zoals de godin Ashera werd uitgebeeld door de Hebreeën! (foto links) Het voedende ‘aardgodin’ principe.

De Perzen geloofden eveneens in de heiligheid van de stier, de cultus van Mithras is daar een goed voorbeeld van (foto rechts). Het Mithraïsme – gebaseerd op een geloof waarin het om de ‘Goede’ God Ahura Mazda ging – is eigenlijk een nog veel ouder monotheïstisch geloof dan die geleende ‘vondst’ van Mozes dus.

In ieder geval maakt bovenstaande wel duidelijk dat het ergens niet zo vreemd is dat de Exodus-Hebreeën de God van Mozes in de vorm van een (stier)kalf uitbeeldden, want zoiets scheen heel gangbaar in die tijd. Waarschijnlijk was dit dan ook niet de echte reden dat Mozes zo kwaad werd. In het boek “Langs het pad van Mozes” brengt de schrijver Graham Phillips echter een document ter sprake een heel goede verklaring biedt voor zijn boosheid.

Hierin is terug te vinden dat in de archieven van de kathedraal in de Franse plaats Rouen een 16e eeuwse kopie werd ontdekt van het Hebreeuwse ‘Boek des oprechten’. In het Oude Testament wordt dit boek dan wel specifiek genoemd...

‘Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten?’ Jozua 10:13
‘... zie, het is geschreven in het Boek des Oprechten’ II Samuël 1:18

... maar dat Boek staat er echter zelf niet in, alsof het op een zeker moment bewust eruit is verwijderd.

De kopie van dat Boek te Rouen werd aangekocht door de Bibliotheque Nationale te Parijs maar bleef tot 1993 zonder verdere aandacht in de kluizen van dit instituut liggen, totdat het door de Amerikaan Michael Martin werd ontdekt. Martin zou het op echtheid laten controleren.

Het bijzondere aan dit ‘Boek des Oprechten’ is dat hiermee een aantal hiaten uit de Bijbelse verhaallijn over de Exodus wordt opgevuld. Het verhaal over de Exodus is te lezen in de boeken Exodus, Numeri en Deuteronomium. Maar waar het ons nu om gaat is dat in dit bewuste document ene Jaser - wat trouwens Hebreeuws is voor ‘Oprechte’ - ons de ware reden vertelt voor de boosheid van Mozes na zijn afdaling van de Berg van God. Laten we eens kijken wat Jaser ons daarover te vertellen heeft.
De Hebreeën waren na verloop van tijd – terwijl Mozes in totaal 40 dagen op de Berg bij God was - het wachten zat. Op een gegeven moment waren ze begonnen te morren en hadden Mozes’ broer Aäron als hun nieuwe leider uitgekozen om hen alsnog dat Beloofde Land in te leiden.

Er was dus sprake geweest van een zekere rebellie en een vorm van verraad waarin zelfs Mozes’ broer niet vrijuit ging, enkel Jozua en een aantal anderen zouden Mozes trouw zijn gebleven tijdens dit gebeuren.

Ondanks deze heftige nieuwigheid is dat echter niet de reden waarom dit boek zou zijn verwijderd. in de tijd dat de Judeeërs datgene wat nu ons Oude Testament vormt samenstelden. De enige reden waarom men hiertoe besloot was dat Jaser na de dood van Jozua in een veldslag enige tijd later tot één van de opvolgers van Mozes was gekozen. En dat kwam de samenstellers van het Hebreeuwse Oude Testament niet erg goed uit want Jaser was wel een Edomitische priester geweest!

De Judeeërs hadden in de tijd dat ze deze verhalen verzamelden en opschreven op voet van oorlog met Israël en Edom gestaan en hierdoor kwam het ze niet goed uit om een Edomiet een dermate belangrijke positie in hun geschiedenis te laten innemen. Zij waren in die dagen juist bezig Israël en Edom in het bijzonder zwart te maken door ze van allerlei heidense activiteiten te beschuldigen.

De reden dat hij als opvolger van Mozes in aanmerking kwam is echter niet zo vreemd, Jaser was namelijk de Priester van Edom geweest die de Hebreeën na hun vlucht uit Egypte schijnbaar bij de Berg van God had opgevangen toen zij daar waren gearriveerd.

En dat breng ons dan bij nog iets in dat hervonden ‘Boek des Oprechten’ wat intrigeert, Jaser wordt namelijk niet genoemd bij degenen die niet aan de rebellie mee hadden willen doen. Zou dat soms zijn omdat hij daar zelf helemaal niet bij was? Omdat hij als Priester met Mozes mee naar boven was gegaan? Of dat hij reeds daar was geweest toen Mozes in zijn eentje boven aankwam? Hier komen we later nog op terug.

Voordat we verder gaan met ons verhaal is het aardig nog een detail te vernemen uit dit Boek, namelijk dat geheel naar het Edomitisch principe van gelijke rechten voor beide geslachten, de Richteres en Profetes Deborah (Richteren 4:4) de dochter was van Jaser, en dat zij het was die hem zou opvolgen als priesteres en leidster der Hebreeën.



Dat is iets wat nu bijna ongeloofwaardig zou lijken als men van de patriarchale leer van het huidige Judaïsme uitgaat! Gelukkig is dit enkele feitje ondanks deze starre instelling nog wel in het Oude Testament terug te vinden. In eerste instantie was het Jozua die Mozes’ opvolger werd na diens dood – al is wel duidelijk dat dit meer militair dan spiritueel was bedoeld - maar na de dood van Jozua in een veldslag leek het schijnbaar niet meer dan vanzelfsprekend dat Jaser de volgende leider werd. Deze was toen echter al oud en hij zou het ambt doorgeven aan zijn dochter.

Dit ene gegeven moet de patriarchale Judeeërs die omstreeks het jaar 525 v. Chr. de Hebreeuwse Bijbel begonnen samen te stellen behoorlijk wat hoofdbrekens hebben gekost. Deborah kon men namelijk niet zomaar uit het Oude Testament weglaten - daar was zij te bekend, te geliefd en te belangrijk voor geweest. Zij had tevens vele overwinningen op haar naam staan, dus diende men er iets anders op te bedenken.

Al druiste het eigenlijk volledig tegen hun gebruik in als men over vrouwen schreef in hun verhalen, de vader van Deborah verkoos men desondanks maar niet te noemen in haar beschrijving. Dus beschreef men haar enkel maar als de echtgenote van een onbeduidend man met de naam ‘Lappidot’ (Richteren 4:3-4).

Het feit dat Deborah naast leidster tevens de Priesteres der Hebreeën moest zijn geweest - ambten die in die dagen vaak samen gingen - daar zweeg men wijselijk maar helemaal over. Men hoopte waarschijnlijk dat men achter de titel ‘Richter’ niet verder ging zoeken. Want tijdens en na de stichting van een apart Judeese koninkrijk was zo’n taak enkel nog aan mannen toevertrouwd en was het Edomitische principe van gelijke rechten voor beide seksen geheel opzij geschoven.

In ieder geval heeft bovenstaand verhaal wel duidelijk gemaakt dat een vooraanstaand personage uit de geschiedenis der Hebreeën, namelijk Deborah, uit Edom kwam, evenals haar vader en haar God. Al wilde men dit dan nog zo graag, deze waarheid liet zich niet loochenen en hierdoor wordt het terloops nog wel ter sprake gebracht in Richteren 5:4-7:

“Here, toen Gij uittoogt uit Seïr, toen Gij voortschreedt uit de velden van Edom, beefde de aarde, ook dropen de Hemelen, ook dropen de wolken van water; de bergen wankelden voor de Here, zelfs de Sinaï voor de Here, de God van Israël…
leiders ontbraken in Israël, ja zij ontbraken, totdat ik opstond, Deborah …”

En dit was het dan weer wat betreft dit deel van ons verslag naar de ‘Berg van God’.

Het maken van een reisverslag als dit is overigens beslist niet eenvoudig. Hoe kan men namelijk oppervlakkig blijven als men vertelt over een gebied wat zo’n enorme impact op de wereldgeschiedenis zou hebben dat er oorlogen om werden - en worden -gevoerd? Waarvan de verhalen over de vroegere bewoners tot de meest vertelde verhalen van onze planeet behoren? Ga zondag maar eens naar een Christelijke kerk waar dan ook.

Zowel het Jodendom als het Christendom als de Islam erkennen Mozes als een belangrijke profeet, maar zien hem traditioneel eigenlijk ook als degene die het monotheïstische principe zou hebben geïntroduceerd onder de mensen. Want vooral na Mozes zouden veel mensen het gaan verkiezen in één enkele God te gaan geloven in plaats van in vele.

Echter, zoals na het lezen van al het voorgaande reeds blijkt was dit principe al bekend bij meerdere volken, Het Perzische Mazdeïsme en Mithraïsme kende een vorm van monotheïsme – het geloof in één enkele God - en dan was er ook nog dat ene volk wat tamelijk geïsoleerd in het Seïr-gebergte woonde, namelijk de Edomieten. Enkel was hun God beslist geen enkele mannelijke jaloerse en naijverige God maar een Wezen dat beide geslachten vereend representeerde. Zoals de Joodse tragediedichter Ezechiël Tragicus in de tweede eeuw voor onze jaartelling ook beschreef in zijn verhaal over Mozes’ kennismaking met God op Zijn Berg.

Eigenlijk is een androgyne God - man en vrouw ineen - een behoorlijk complex gegeven, in onze tijd is dat voor velen nog moeilijk te behappen en dat was in die dagen niet anders.
Zoals wel blijkt uit het feit dat de Nabateeërs die later arriveerden in Edom die ene God al snel weer als specifiek mannelijk begonnen te zien en Hem daardoor maar een aparte echtgenote gaven om Hem zo weer compleet te maken.

In het volgende deel gaan we weer terug naar ons reisverhaal, we gaan dan eerst nog even kijken in dat gedeelte van Edom wat niet enkel uit graven bestond, maar waar ook ooit levende mensen woonden. Daarna gaan we dan eindelijk beginnen aan de beklimming van die die berg waar we het al die tijd al over hebben.

Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden