Terug naar ons reisverhaal maar weer. Al wandelend door de dalen van Edom hadden we de graftombes nu achter ons gelaten, evenals de Berg van God, en waren we in een breder dal aangekomen dat door mensen bewoond was geweest. Al was dat waarschijnlijk pas lang nadat Mozes en de zijnen hier hun kamp hadden opgeslagen na hun Exodus. Want van alle mogelijke locaties in de dalen van Edom waar hij dit kon hebben gedaan leek deze plaats het waarschijnlijkst: aan de voet van de Berg van God.

Dwars door dit brede dal loopt de Cardo Maximus, oftewel de ‘Hoofdstraat’, die duidelijk de Romeinse invloeden laat zien. Dit komt omdat deze straat daar zou zijn aangelegd nadat het gehele gebied in het jaar 106 na Christus onder Romeins bewind was komen te staan.

Geheel naar Romeins gebruik is de ‘Cardo’ een rechte straat die het ‘hart’ van de nederzetting moest vormen en waaraan alle belangrijke gebouwen te vinden waren.

Aan het einde van deze hoofdstraat bevindt zich een deels intacte Tempel die gewijd was aan de God Dushara, die wij inmiddels hebben weten te identificeren als de God waarom het eigenlijk ooit ging aan het begin. De ‘Heer van Seïr’.



Het was bij deze Tempel - die tegenwoordig ‘Qasr el Bint’ wordt genoemd -dat wij ons zouden gaan scheiden van het reisgezelschap waarmee we tot die tijd op pad waren geweest. Want wij zouden namelijk van daaruit gaan beginnen aan onze eigen ‘queeste’, het bestijgen van de Berg van die God waaraan de Tempel die we zojuist waren gepasseerd was gewijd.

We waren de enigen die dit zouden doen, want vreemd genoeg is deze Berg met zijn monumenten op de top schijnbaar niet iets wat voor de meeste toeristen standaard op het ‘menu’ staat. Wel hadden we van onze Jordaanse gids - toen hij van ons plan hoorde - het advies gekregen om achter langs de tempel van Dushara een pad te nemen wat net als de trappen die we eerder waren gepasseerd eveneens naar de top van die Berg zou voeren. Als we dit pad namen zouden we namelijk nog langs andere bezienswaardige zaken komen die we zouden missen als we via de trappen bij het theater omhoog gingen. We zouden hem later zeer dankbaar zijn voor deze tip.

De Jacobsladder

"Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niets anders dan een Huis Gods, dit is de poort des hemels. Den volgende morgen vroeg nam Jacob den steen die hij onder zijn hoofd had gelegd, stelde dien op een opgerichte steen en goot er olie bovenop. En hij noemde de plaats Bethel...

... En God zeide tot Jacob: Maak u reisvaardig, trek naar Bethel, blijf daar, en richt er een altaar op voor den God die u verschenen is toen gij vluchtte..."

Bovenstaande teksten uit Genesis 28 en 35 vertellen ons over een droom die de aartsvader Jacob op een zeker moment zou hebben tijdens zijn vlucht naar Mesopotamië.



Jacob was op een gegeven moment ergens gaan rusten en kreeg een droom waarin een ladder uit de hemel verscheen, waarlangs engelen op en neer gingen. Toen hij weer wakker werd wist hij gelijk dat deze plaats van groot belang moest zijn, omdat God hem in die droom schijnbaar iets duidelijk had gemaakt en daarom markeerde hij het met een stapeltje stenen. Later zou deze plaats het ‘Bethel’ worden waar men een tempel zou bouwen.

Even voor alle duidelijkheid nu, die geschiedenis van Jacob vond lang voor de Exodus plaats. Hieruit blijkt weer dat Mozes nooit de eerste kan zijn geweest die met het idee van slechts één God tevoorschijn kwam. De Hebreeën die te Edom woonden moeten hier zeker sinds Jacobs droom reeds vertrouwd mee zijn geweest.

Zoals we eerder al schreven is er eigenlijk lange tijd onduidelijkheid geweest over WAAR Bethel zich ooit zou hebben bevonden . Mogelijk had men daar met opzet vaag over gedaan.
Richteren 21:19 meldt over de mogelijke locatie van Bethel enkel dat die aan de Heirbaan naar de plaats Sichem lag. Hierdoor was men er lang van uitgegaan dat het aan de belangrijkste weg tussen Jeruzalem en Sichem was dat men Bethel kon vinden, maar tegenwoordig realiseert men zich dat er nog geheel andere Heirbanen bestonden in die dagen en dat die om Jeruzalem heen gingen. Wat ergens ook veel logischer was in de dagen dat Judea en Israël min of meer op voet van oorlog stonden en het koninkrijk Judea zich als een soort enclave in het koninkrijk Israël bevond.

Hierdoor was echter de vraag nog niet beantwoord waar Bethel zich dan wel moest bevinden, maar dankzij de Jordaanse dr. Adnan Hoessein van de universiteit van Amman kreeg men eind jaren negentig van de vorige eeuw eindelijk een idee waar Bethel dan wel moest hebben gelegen.

Een verhaal in Genesis 12:8 weet ons heel inconsistent te vermelden dat Aartsvader Abraham naar het gebergte ten oosten van Bethel trok en dat hij zijn tent spande met Bethel aan de westelijke horizon en de Bijbelse plaats Ai in het oosten.
Dit is inconsistent omdat aartsvader Abraham ruim voor Jacob leefde - Jacob was namelijk zijn kleinzoon - en Jacob zou pas degene zijn die een altaar te Bethel op zou richten na zijn droom en hierdoor zou deze plaats pas die naam gaan dragen.
Maar diegenen die deze verhalen op schrift zetten bekommerden zich schijnbaar niet om deze details en in de tijd van deze schrijvers van het Oude Testament bestond Bethel dus duidelijk al.
In 1998 vond Dr. Adnan Hoessein met een team archeologen de stad Ai, zij legden deze nederzetting bij de moderne stad Aboe el Jordan bloot.

Slechts dertig kilometer naar het westen bevindt zich het Seïr-gebergte waar Petra ligt, hierdoor is men er steeds zekerder van - mede dankzij archeologische bewijzen op de plaats zelve - dat enkel de zogenaamde ‘offerplaats’ op de Djebel Madhbah de oude Tempel der Israëlieten kan zijn geweest. Het is namelijk de enige ‘Heilige Hoogte’ die hiervoor in aanmerking kon komen.
Op weg naar boven zouden wij dit bevestigd gaan krijgen. We waren nu begonnen aan onze tocht naar deze plaats.

Achter de Tempel van Dushara namen we een opmerkelijk rustig paadje in het overigens drukke Petra wat ons leidde richting de Berg van God.

De Berg torende hoog boven ons uit en we konden enkel maar hopen dat we goed liepen. Onze Jordaanse gids had gelukkig een klein schetsje voor ons gemaakt waarop stond hoe we moesten lopen, maar als we zo naar die Berg keken vroegen we ons af waar die weg naar boven zich dan moest bevinden.Nergens leek een duidelijke weg omhoog zichtbaar. Het pad voerde in eerste instantie maar in één richting, later kwamen we zijpaden tegen en onze onzekerheid of we nog wel goed liepen nam toe. Het pad leek achter de Berg om te voeren en juist die kant van de Berg was stijl.

Eenmaal aan de voet van de Berg aangekomen zagen we weer vele graftombes, wat ergens niet eens zo verwonderlijk hoeft te zijn, want wat was er uiteindelijk mooier voor de goedgelovige dan IN de Berg van God zelf te worden begraven?

Onze onzekerheid over hoe we verder moesten verdween toen we een Bedoeïen tegenkwamen aan wie we konden vragen of we nog wel goed liepen. Onze Jordaanse gids had op het schetsje nog de naam ‘offerplaats’ in het Arabisch opgeschreven in het geval we de weg moesten vragen aan iemand die geen Engels sprak (de meeste Bedoeïenen en andere Jordaniërs spreken overigens allemaal wel een beetje Engels),zodoende kregen we te horen dat we de goede richting op gingen, rechts om de berg heen.

En inderdaad: kort hierna kwamen de eerste trappen in zicht van wat voor ons de Jakobsladder zou gaan worden. Nadat we die eerste trappen hadden genomen kwamen we in een nauw dal uit - de Wadi Farasa -waar wederom iets van bebouwing was te onderscheiden. Er bevond zich daar ook een Bedoeïenvrouw die allerlei zaken te koop had, waaronder muntjes uit de Nabatese tijd die daar nog veelvuldig gevonden kunnen worden. Eén van die muntjes viel ons gelijk op want de afbeelding erop leek wel die Kretenzische slangengodin voor te stellen.

Was dat soms een soort van ‘teken’? Bij eerdere stalletjes hadden we die voorstelling nog niet gezien en voor ons had juist dit extra waarde omdat we ooit onze reizen naar heilige plaatsen (waar het Vrouwelijk Principe ooit een maatschappelijk hogere positie had genoten) begonnen op Kreta. Daarnaast waren wij de eersten geweest die een soortgelijke voorstelling hadden weten te ontdekken bij de ingang van dat kerkje te Rennes-le-Chateau (zie hier). Na deze ontmoeting liepen we verder en kwamen we uit op een plaats die ‘het graf van de onbekende Romeinse soldaat’ heet.



Deze plaats heet zo omdat in de nissen afbeeldingen staan van Romeinse soldaten. Hieruit blijkt dat het beslist een graf van Romeinse makelij moet zijn geweest. Natuurlijk vragen we ons af of deze Romeinse soldaat een speciale reden had om juist hier aan de weg omhoog naar de Berg van God te worden bijgezet in een eigen grafkamer? Was hij soms Christen geweest? Eentje die nog had geweten dat hier de Berg van God was met daarop de tempel Bethel?

En nog belangrijker, indien deze Romein Christen was, had hij geweten dat zijn Heiland hier ooit zelf zou zijn geweest? En dat de apostel Paulus hier later op aanraden van Jezus ook nog naar toe zou zijn gegaan?

Verbaasd? In een volgend deel meer hierover.

Tetzmol: Leuk leesvoer allemaal. Ik kijk uit naar het vervolg.

Tetzmol.
“You never know what is enough unless you know what is more than enough.”
Op 18-01-2009 0:57:43 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
paps: Prachtig! Ik lees ze met grote interesse.
Koester uw onwetendheid, de rest kunt u opzoeken.
Op 19-01-2009 7:57:43 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
celtic: Dit leest als een boek. Je kon toch na afloop het hele verhaal downloaden?
Condemnation without investigation is the highest form of ignorance
Op 19-01-2009 8:24:13 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden