De Jacobsladder.

In het vorige deel waren we net begonnen aan onze persoonlijke beklimming van de Berg van God, die zich niet, zoals menigeen denkt, in het zuidwesten van de Sinaï-woestijn bevindt maar in het noorden, in het huidige Jordanië. Deel 1 van dit verslag vertelt waarom het veel waarschijnlijker is dat de Berg van God zich hier bevindt en niet op de locatie van de Berg Sinaï.

Nadat we het graf van de Romeinse soldaat hadden bewonderd vervolgden we onze weg naar de volgende trappen die ons boven het dal van de Wadi Farasa uit zouden voeren en ons aan de eigenlijke bestijging van de Berg van God lieten beginnen.

De zon brandde genadeloos, maar daar waren we op gekleed, dus dat deerde ons niet. Was het eerder die dag overal nog druk geweest te Petra, onderweg naar boven kwamen we nu even niemand meer tegen.We hadden net weer een aantal trappen gehad toen we plots weer iets van bebouwing konden ontwaren.

Volgens het bordje dat erbij was geplaatst heette dit bouwwerk de ‘Garden Temple’, oftewel de ‘Tuin Tempel’ of ‘Tempel Tuin’. Dit was waarschijnlijk een wachtpost geweest die de toegangsweg naar boven, naar de werkelijke Tempel, bewaakte. Voor het bouwsel op de foto links is nog net de watercisterne te onderscheiden waarin water werd geleid wat uit de bergen vandaan kwam. Het gebouw schijnt volgens de beschrijving daar ter plaatse tevens voor zekere religieuze doeleinden te zijn gebruikt, want er bevindt zich een aparte ruimte met enkele nissen.

Na deze wachtpost leek de werkelijke klim omhoog pas echt te gaan beginnen, diverse trappen voerden ons nu recht tegen de Berg op.

We begonnen te begrijpen waar dat verhaal over die Jakobsladder op leek te zijn gebaseerd en werden des te nieuwsgieriger naar die ‘Ontzagwekkende plaats’ uit de droom van Jacob, degene die God’s huis als eerste had gevonden.

‘Terribilis est locus iste’ luidt die ene zin uit de droom van Jacob in het Latijn. Dit kan men vertalen als ‘Dit is een verschrikkelijke plaats’ maar het is waarschijnlijker dat er ‘ontzagwekkend’ mee wordt bedoeld. Wat dit alles voor ons des te interessanter maakte was het gegeven dat dit ene zinnetje eveneens boven de toegangspoort van het kerkje te Rennes-le-Chateau voor kwam. ‘Hic Domus Deis est et porta coeli’, dit is het Huis Gods en de Poort des Hemels.

Volgens ons heeft de pastoor van dat kerkje in dat kleine dorpje in Zuid Frankrijk op deze wijze aan willen geven dat hij meer om de oude Tempel der Israëlieten te Bethel (en hun religieuze overtuigingen, die in nuances een behoorlijk verschil toonden) had gegeven dan om de latere Tempel te Jeruzalem. Het is namelijk bekend dat hij zich bijzonder had verdiept in de geschiedenis der Hebreeën en zelfs hun taal had geleerd.
Slechts weinigen staan in deze tijd echter stil bij het verschil tussen de twee Tempels.

Want dat er sprake is van een verschil tussen beide religieuze zienswijzen is iets wat men tegenwoordig nogal eens geneigd is te vergeten. De Tempel te Bethel had voor de oorspronkelijke religie der Hebreeën gestaan, voordat de Judeeërs waren begonnen allerlei hervormingen door te voeren. Eigenlijk is dit heel goed vergelijkbaar met het verschil tussen het Katholieke geloof en dat der Protestanten. Eenieder weet wel dat daar groot verschil tussen is. Nu kan men zich afvragen of het verschil tussen het Israëlische en het Judeese geloof dan ook consequenties voor het Christendom zou hebben, maar als men de geschiedenis bestudeert dan wordt duidelijk dat dit inderdaad het geval is. Maar later meer hierover.

We waren inmiddels alweer een tijdje bezig met de beklimming, maar de weg naar boven bleef goed begaanbaar. Op één moment kwamen we nog andere toeristen tegen die op weg naar beneden waren, maar we kregen het idee dat het onmogelijk erg druk kon zijn daarboven. Na enkele trappen kwamen we uit bij een punt dat eveneens grote waarde zou hebben ter identificatie van deze Heilige Hoogte als de oorspronkelijke Tempel te Bethel, namelijk een bas-reliëf van een grote leeuw met opengesperde muil.

Over deze leeuw bestaan een aantal verschillende hypotheses.
Men doet het doorgaans af als een Nabatees kunstwerk, maar de verwering ervan heeft enkele wetenschappers ervan weten te overtuigen dat het ouder moet zijn.

Doordat de Tempel te Bethel, in 620 v. Chr. door Josia - de Judeese koning met hervormingsplannen - was vernietigd, is men nogal eens geneigd aan te nemen dat hij degene is die dit beeldhouwwerk hier moet hebben aangebracht om aan te geven dat zekere profetieën nu waren vervuld.

Koningen 13:11-32 vertelt ons namelijk een behoorlijk ‘vaag’ verhaal over een zekere ‘Man Gods’ uit Judea en een ‘profeet zonder naam’ te Bethel. Dit verhaal stamt uit de tijd dat de koninkrijken Israël en Judea net waren gescheiden. De ‘Man Gods’ was in dit verhaal duidelijk een Judeeër die louter naar Bethel zou zijn afgereisd om van leer te trekken tegen de naar zijn mening ‘heidense’ praktijken daar en hij voorspelde dat de plaats op een zekere dag zou worden vernietigd.
 

“…zie daar kwam een man Gods door het ‘Woord des Heeren uit Juda te Bethel, terwijl Jerobeam (koning van Israël) op het altaar stond om het offer te ontsteken. Deze nu predikte tegen het altaar door het Woord des heeren, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de Heere: zie, een zoon zal aan Davids huis geboren worden met name Josia; en hij zal op u de Priesters der Hoogte slachten, die offers op u ontsteken , en mensenbeenderen zal men op u verbranden.”

De ‘profeet zonder naam’ die zich te Bethel bevond gaf de schijn enige sympathie te koesteren voor die ‘Man Gods’ en gaf hem te eten en te drinken terwijl de ‘Man Gods’ juist van ‘zijn’ God had gehoord te moeten vasten. Hierna ging de ‘Man Gods’ weer zijns weegs maar hij zou door zijn God worden gestraft voor zijn ongehoorzaamheid. De Judeese God uit het ons bekende Oude Testament stond niet bekend om tolerantie.

Kort erna hoorde de profeet dat de ‘Man Gods’ op een lager gelegen gedeelte van de Berg dood terug was gevonden. Hij ging er zelf heen en vond het lijk op de weg naar beneden, ernaast had een leeuw gestaan die het lijk van de man niet had verslonden en de nog levende ezel van de ‘Man Gods’ eveneens met rust had gelaten. De ‘Man Gods’ was door de Profeet ter plekke ergens in een spelonk begraven en hij had zich voorgenomen zich daar na zijn dood bij te laten zetten.

Men kan in bovenstaand verhaal duidelijk een staaltje propaganda bespeuren voor de daden die koning Josia op een zeker moment zou verrichten, want het was in zijn tijd dat men begon de Hebreeuwse Bijbel vorm te geven. Josia zou namelijk tijdens zijn eerder genoemde expeditie tegen de Tempel te Bethel alle daar aanwezige graven schenden door de beenderen uit te graven en die te verbranden op het altaar bovenop de Berg (II Koningen 23:16-18). Op één graf na, namelijk dat van de ‘Man Gods’.

Vooral hierdoor is men geneigd aan te nemen dat die Leeuw daar in opdracht van Josia zou zijn uitgehakt om de ‘Leeuw van Juda’ te symboliseren, want Genesis 49:8-9 vertelt ons dat die aartsvader Jakob zijn zoon Juda - de naamgever van de stam, en later het koninkrijk, Juda - vertelde dat hij de ‘leeuw van Israël’ zou zijn.

Persoonlijk lijkt ons dit echter zeer onwaarschijnlijk want ten tijde van Jacob en zijn zoon Juda was er nog geen sprake van twee aparte koninkrijken Israël en Juda, die zich zouden gaan scheiden op grond van religieuze onenigheid. Jacob was daarnaast nota bene degene geweest die Bethel had geïdentificeerd als het ‘Huis van God’. Het heeft er hierdoor juist eerder de schijn van dat de leeuw in bas-reliëf Israël symboliseerde in de tijd dat dit nog één koninkrijk had betroffen, naar de aartsvader Jacob die de naam Israël (= God strijdt) had gekregen na een gevecht met een engel. (Genesis 32).

De leeuw is dus waarschijnlijk door de Edomieten uitgehakt als een soort van wachter-beschermer van de Heilige Hoogte erboven, die al sinds Jacob als het Huis van God werd beschouwd. Meer een symbool voor een verenigd Israël dan van het latere afgescheiden Juda.

Overigens is in Mesopotamië - waar Jacob tijdens zijn vlucht destijds naar op weg zou zijn geweest - een soortgelijke afbeelding van een leeuw gevonden.

Wat enkel maar aangeeft dat de leeuw als symbool wel vaker werd gebruikt. Zeker bij toegangspoorten naar belangrijke plaatsen als een soort wachters.

Wij passeerden deze ‘wachter’ en gingen verder omhoog. Op een zeker moment zaten we zo hoog dat we een goed uitzicht hadden op de omgeving, nu konden we de Djebel Haroun onderscheiden, de berg waarop Aäron, de broer van Mozes, zou zijn begraven.

Deuteronomium 32:50 vertelde ons hierover echter:
“En sterf op de berg, die gij beklimmen zult, opdat gij tot uw voorgeslacht vergaderd wordt, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor gestorven en tot zijn voorgeslacht vergaderd is.”

Hieruit blijkt dat ‘Hor’ volgens de schrijvers OF een andere berg betrof, OF dat men de hele ring bergen van het Seïr-gebergte ‘Hor’ noemde. Het kan natuurlijk evengoed betekenen dat de Judeese schrijvers het niet goed meer wisten.



De Joods-Romeinse geschiedschrijver Flavius Josephes vertelt in zijn boek ‘Oudheden’ IV:4:7 dat het graf van Aäron zich in de plaats ‘Acre’ bevond, die ten tijde van Josephes al Petra werd genoemd. Het was volgens hem in het dal van Edom geweest , waar Aäron één van de bergen beklom om voor de ogen van het hele leger te sterven.

De middeleeuwse Arabische kroniekschrijver Noemairi zegt over de Djebel Haroun:
“Op deze berg bevindt zich het graf van Aäron, Profeet van God, de broer van Mozes, vrede zij met hem.”

Schijnbaar was de Berg van God zelf in die dagen nog te heilig voor de Exodus-Hebreeën uit Egypte om daar begraven te worden. Alhoewel het er wel de schijn van heeft dat men voor Mozes zelf een uitzondering heeft gemaakt als men hem inderdaad aan de voet van de ‘Berg van God’ bij dat slangenmonument zou hebben begraven. Daar hadden we het in een eerder deel al over.

In de verte konden we beneden ook de Tempel van Dushara zien liggen, van waaruit we onze tocht waren begonnen. We konden ons goed voorstellen dat de Hebreeën ten tijde van Mozes in dat dal hun kamp hadden opgeslagen terwijl hun leider boven op de berg met God zou hebben gesproken.

Door al deze indrukken begonnen we wel een beetje een beeld te krijgen van hoe dat mogelijk in werkelijkheid gegaan zou kunnen zijn. En dan wel zonder de duidelijk aantoonbare latere verdichtsels. Laten we dat verhaal van Mozes nu nog maar eens bekijken.

Die allereerste keer, in de periode dat Mozes nog de schapen had gehoed voor zijn schoonvader Jethro en van de ene oase naar de andere door de Sinaïwoestijn had gezwalkt, toen had hij mogelijk op een zekere nacht in de verte een lichtschijnsel gezien, wat duidde op een vuur. Daar dit zich op de top van een berg had bevonden was het van veraf goed te zien geweest.

Het is heel goed denkbaar dat dit verschijnsel Mozes’ aandacht had getrokken omdat het erop duidde dat daar mensen verbleven. Hij besloot waarschijnlijk om zodra het dag werd die kant op te gaan om te kijken wat dit voor moest stellen.

Zo kwam hij uiteindelijk aan de rand van het Seïr-gebergte terecht, in het dal waar vandaan ook wij waren vertrokken op onze reis omhoog. Of Mozes in dat dal van Edom - (want daar was het natuurlijk waar hij was aangekomen) - gelijk andere mensen tegenkwam is iets wat we nooit zullen weten. Dat doet er eigenlijk ook niet toe. Hij had dat vuur op de top van die berg gezien, die het meest prominent aanwezig leek, en dat was de plek waar hij eens wou gaan kijken.

En zo moet hij ongeveer dezelfde weg zijn gegaan zoals wij die nu namen, want de trappen bij het theater – aan de andere zijde van de Berg van God - waren er toen waarschijnlijk nog niet. Die werden pas later door mogelijk de Nabateeërs aangelegd als snelle weg naar boven.



Op onze weg verder naar boven zouden we op een zeker moment weer een soort van ‘Déja Vu’ beleven. Want op een heel andere ‘Berg van God’ - eentje die zich in het zuiden van Frankrijk bevindt, en waarvan een zekere priester uit de 19e eeuw dacht dat deze berg een reflectie was van die in het Midden-Oosten waar wij ons nu bevonden - hadden we tijdens de beklimming vlak onder de top net zo’n soort rots gezien. Alleen had die rots daar een naam gehad en ‘la fenêtre’ geheten, het ‘venster’. En de Berg van God daar heette de Bugarach.



Hier of hier kan men meer over deze specifieke Franse ‘Berg van God’ lezen. Natuurlijk kan het slechts toeval zijn, maar erg vaak waren wij dit soort ‘vensters’ nu ook weer niet tegen gekomen, en zeker niet op bergen die men aan God had verbonden. Wel kregen we hierdoor steeds meer het gevoel dat we een bijzondere berg aan het beklimmen waren, waar een zekere ‘magie’ van uit leek te gaan.

Kort na dit ‘venster’ konden we het einddoel van onze beklimming ontwaren, de top kwam in zicht. Wat we daar te zien kregen toen we er eenmaal waren voldeed geheel aan wat we ervan hadden verwacht...

Meer daarover in het volgende deel.

Salomé: Prachtig! Werkelijk waar.
Op 21-01-2009 13:44:10 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden