Bethel, de ontzagwekkende plaats.

Na een klim via vele trappen waren we dan eindelijk op het plateau aangekomen dat de top voor moest stellen van de ‘Berg van God’, de plaats waar ooit de oude Israëlische Tempel van Bethel had gestaan. En Bethel betekent niets anders dan ‘Huis van God’.

We zagen wederom sporen van bebouwing en konden in de verte een zuil ontwaren. Maar wij wisten reeds dat er nog eentje moest zijn.



Het plaatje hierboven betreft een alchemistische afbeelding van de fameuze Tempel van Salomo te Jeruzalem, althans dat zegt men.

Wat vrijwel niemand meer lijkt te weten is dat de twee fameuze vrijstaande zuilen die de Tempel van Salomo zo zouden hebben gekenmerkt eigenlijk puur ‘nageaapt’ zijn van de Tempel te Bethel, die veel ouder is. Want het eerste ‘Huis van God’, waar aartsvader Jacob die droom had en waar Mozes later met God had gesproken, had al van zulke zuilen gehad, lang voordat de Tempel van Salomo door de Fenicische meesterbouwer Hiram Abiff was ontworpen.

Al waren dit soort zuilen misschien wel specifieke kenmerken die altijd voor Semitische Heilige plaatsen werden gebruikt. Men dient dan niet te vergeten dat zowel de Feniciërs als de Kanaäniten als de Hebreeën Semiten waren. De namen van de zuilen van de Tempel van Salomo hadden de namen Boaz (‘In Jahweh is kracht’) en Jakin (‘Jahweh moge vastmaken’) gedragen.

De twee zuilen die wij nu op de Berg van God in het Seïr-gebergte zagen waren duidelijk meer Egyptische obelisken dan echte zuilen, wat enkel maar weer de Egyptische invloed op de oorspronkelijke Hebreeuwse overtuigingen verraadt. Wel droegen beide zuilen een naam, maar die waren die van Dushara en zijn wederhelft Allat.

Al wordt Al Uzza ook wel genoemd als andere ‘helft’ van die ‘Heer van Seïr’ en deze godin was een min of meer Nabateese versie van Venus - Afrodite. Men legde hier dus duidelijk iets meer de nadruk op de fysieke vereniging der principes, het mannelijke en het vrouwelijke. Al stammen de namen van de ‘Wederhelft’ van de Edomitische God duidelijk van later, het geeft wel de Edomitische herkomst van de ‘gedeelde’ éénheid van de God van Seïr aan.

Het alchemistische plaatje verder naar boven laat zien dat er nadat men die zuilen is gepasseerd eigenlijk nog een weg naar boven moet worden afgelegd om bij het werkelijke ‘Heilige der Heiligen’ te komen. Dit in tegenstelling tot de werkelijke Tempel van Salomo...

... waar men na de twee zuilen te zijn gepasseerd gelijk de Tempel binnenging. De Tempel te Bethel echter voldoet wel helemaal aan die alchemistische voorstelling.

Want als men op het plateau van de twee zuilen is aangekomen, dan is men nog niet bij de daadwerkelijke Tempel. Die ligt nog een klein stukje hoger en is enkel via een aantal trapjes te bereiken.

Op het plateau van de aan het Godenechtpaar gewijde obelisken ontdekten we wel weer een klein kraampje van Bedoeïenen die hun koopwaar probeerden te slijten aan de echte ‘die hard’ toeristen die het helemaal tot hier hadden weten te brengen. En afgezien van onszelf waren er daarvan nog een aantal. Een oudere man kwam naar ons toe met een paar olielampjes die hij ooit tussen het metersdikke puin van Petra had gevonden. Eentje daarvan moest ons wel opvallen, want die ging over het mannelijke en het vrouwelijke principe, in vereniging zogezegd.

Nu weten we dat de Nabateeërs als volk van de woestijn erg veel van de Griekse en de Egyptische kunst overgenomen hadden, waar ze door rondtrekkende karavanen al mee waren geconfronteerd, en later tijdens de verovering door Alexander de Grote waren ze helemaal in de gelegenheid geweest om Griekse stijlen te gaan kopiëren.

Hierdoor was het eigenlijk niet zo vreemd om zulke voorstellingen aan te treffen op olielampjes en dergelijke, maar juist op deze plaats vonden wij het wel erg symbolisch. De plaats die we nu betraden had namelijk in het teken gestaan van die vereniging, al vanaf het prille begin eigenlijk. De zuilen die gewijd waren aan de twee ‘helften’ van de Godheid van Seïr gaven dat eigenlijk al aan.

Na eerst het ritueel van afdingen te hebben voltrokken kochten we het lampje en vervolgden we onze weg naar het plateau. Zo kwamen we na nog een laatste kleine klimpartij op de top van de Berg van God.

Hier bevond zich het later zo verguisde Bethel, waar Jacob ooit die ene droom had.. De ‘Ontzagwekkende Plaats’ die ‘Huis van God’ werd genoemd.

We konden duidelijk zien dat hier ooit meer bebouwing had gestaan. Het gehele plateau was lang geleden mooi vlak gemaakt en er waren nog steeds een soort banken op te onderscheiden, en fundamenten die ooit iets moesten hebben ondersteund. Links meenden we zelfs iets van dat fameuze altaar te kunnen zien.

…En God zeide tot Jacob: Maak u reisvaardig, trek naar Bethel, blijf daar, en richt er een altaar op voor den God die u verschenen is toen gij vluchtte…”

Het is echter niet dat eerste altaar waarover in het boek Genesis 35 wordt gesproken, want II Koningen 23:15-20 vertelt hoe de koning der Israëlieten, Jerobeam, er een nieuwe zou hebben opgericht. En later zullen er beslist nog wel meerdere zijn gevolgd. De locatie is mogelijk wel altijd dezelfde gebleven.

Wij konden ons hierboven echter heel goed voorstellen hoe het Mozes mogelijk moet zijn vergaan toen hij op zoek naar de plaats waar hij in de nacht een vuur had gezien uiteindelijk hier aan was gekomen. (zie deel 9). Want enkel hier kon dat vuur hebben gebrand dat hij in de verte zag. Later zouden de Judeese schrijvers van het Hebreeuwse Oude Testament daar een ‘brandend braambosje’ van maken.

Natuurlijk is het mogelijk dat men op deze hoogte zekere doornstruiken als brandstof gebruikte voor offerverbrandingen en dergelijke, die groeien hier zat namelijk. Maar dat Mozes hier alleen zou zijn geweest toen ‘God’ die eerste keer met hem zou spreken, dat wagen wij te betwijfelen, want de Berg was in die tijd zeker al in gebruik als ‘Heiligdom’.

Laten wij voor de aardigheid nu nog eens even terug gaan naar eerder in dit verhaal (in deel 7) - toen we vertelden over een zekere Jaser, iens ‘Boek des Oprechten’ eigenlijk in het Oude Testament had moeten staan

Is dit niet geschreven in het Boek des Oprechten? ’Jozua 10:13‘ ...zie, het is geschreven in het Boek des Oprechten’ II Samuël 1:18 - maar wat er door latere Judeese ‘redacteurs’ uit was verwijderd.

We willen voordat we verder gaan wel even opmerken dat het Nieuwe Testament onder leiding van de Romeinse keizer Constantijn en latere pausen een zelfde soort van behandeling zou ondergaan als het inmiddels alweer vele malen genoemde Hebreeuwse Oude Testament. Diverse boeken zijn eveneens bewust uit het Nieuwe Testament gelaten en enkel omdat men bij toeval een aantal exemplaren in het woestijnzand in Egypte terug zou vinden (ze hadden eigenlijk moeten worden verbrand eind 4e eeuw) weet men van de inhoud van deze boeken af.
En dit alles geschiedde om min of meer dezelfde redenen, politieke belangen en macht.

Jaser - de ‘Oprechte’ - was een Edomiet geweest en dat niet alleen, hij was ook nog eens een Priester geweest! Als men in dat Boek des Oprechten (later terug gevonden in de kathedraal van Rouen) - leest over de rebellie der wachtende Hebreeën onderaan de Berg dan verneemt men dat enkel Jozua en enige anderen Mozes trouw waren gebleven.

Jaser noemt zichzelf echter niet op in die groep getrouwen en daar kan maar één reden voor zijn, hij was niet daar toen het gebeurde maar boven op de berg bij Mozes! Jaser was als Edomiet helemaal niet bij de vluchtelingen geweest die Egypte hadden verlaten, maar was altijd in zijn priesterlijke functie te Edom gebleven. Wat dan weer in zou moeten houden dat toen Mozes de Berg van God ontdekte, hij voor het eerst met Jaser in aanraking was gekomen.

Mozes moet die eerste keer daar hebben ontdekt dat deze persoon (of personen, want mogelijk waren er meerdere priesters toen hij hier aankwam) een overeenkomstig dialect hadden gesproken (Hebreeuws of Aramees) en dat er dus sprake moest zijn van een soort verwantschap. Mogelijk had hij toen van hen vernomen dat in de streek waarin hij zich nu bevond men in één heel bijzondere God geloofde en dat dit eigenlijk ook de God van Mozes’ Hebreeuwse voorvaderen was.

Maar ook dat hij zich nu in het Huis van deze God bevond, dat dit was bepaald door de Hebreeuwse aartsvader Jacob, lang voordat de Hebreeën aan de mediterrane kusten van Palestina naar Egypte waren gegaan. Misschien kende Mozes de aartsvader Jacob zelf nog wel vaag uit de overleveringen van zijn Hebreeuwse soortgenoten in Egypte.

Waarschijnlijk kreeg Mozes na het vertellen van zijn eigen verhaal, het advies om de Egyptische Hebreeën weer terug te leiden naar het land van hun voorvaderen. En dat zij weer in hun eigen ‘StamGod’ moesten gaan geloven. Dat dit Hem gunstig zou stemmen en Hij hen dan zou helpen.

In zijn functie als Hogepriester was Jaser gerechtigd voor God te spreken en dan is het slechts een klein sprongetje om ervan te maken dat Mozes, eenmaal terug in Egypte, tegen de Hebreeën vertelde dat hun voorouders eigenlijk een machtige God hadden die tegen hem persoonlijk had verteld dat hij zijn volk mee terug moest nemen naar het hen Beloofde Land van hun voorvaderen. Als het tenminste niet nog veel later was dat men het verhaal deze vorm zou geven.

Voorts moge het duidelijk zijn dat toen Mozes na de uittocht uit Egypte met zijn Hebreeuwse volk weer hier aankwam, en in zijn eentje naar boven ging, hij van de priesters op deze Heilige Hoogte de Stenen Tafelen moet hebben gekregen, de welbekende Tien Geboden, - die gebruikelijk moeten zijn geweest onder de daarr wonende Edomieten. Zeg maar de traditie.

Dit alles maakt één en ander gelijk veel beter verklaarbaar, want er zijn vele sceptici geweest die zich hebben afgevraagd hoe Mozes zonder enig gereedschap in staat was geweest de Tien Geboden op steen te graveren tijdens zijn verblijf van 40 dagen op de Heilige Berg.

De plek die wij nu betraden was in later tijden natuurlijk nog veel uitgebreider, toen de Hebreeën zich definitief in het Heilige Land hadden gevestigd met een eigen ‘koninkrijk’. De Tempel te Bethel was lange tijd de enige - en hierdoor belangrijkste -Tempel voor hen gebleven, tot het moment waarop koning David het plan had opgevat om de moeizaam door hem veroverde stad Jeruzalem tot de nieuwe woonplaats van de God der Israëlieten te promoveren. Een plan dat uiteindelijk pas door zijn zoon Salomo zou worden gerealiseerd.

Al had koning Salomo in al zijn wijsheid daar wel specifiek bouwmeesters voor uitgekozen die nog wisten hoe men zo’n Tempel diende te bouwen. Onder zijn eigen mensen waren die schijnbaar niet te vinden geweest. Wel was Salomo altijd de rituelen in ere blijven houden zoals die te Bethel gangbaar waren geweest. Dit zou pas gaan veranderen toen er een strijd ontstond tussen degenen die hem opvolgden, waardoor de koninkrijken Juda en Israël zich zouden scheiden.

Het verhaal wil overigens dat die strijd oorspronkelijk enkel maar om het wel of niet verminderen van de belastingen zou gaan. Een zoon van Salomo, die Rehabeam heette, wilde de belastingdruk verzwaren, terwijl een zekere Jerobeam , de zoon van een getrouwe van Salomo, die eveneens uitverkoren leek Salomo op te volgen, juist de belastingdruk wilde verlichten.
In I Koningen 11:26-39 is te lezen dat Jerobeam de oude afgoderij weer in ere wilde herstellen, maar men moet dan niet vergeten dat dit door latere Judeese hervormings-gezinden expres zo is neergeschreven om vooral het koninkrijk Israël – waar men op dat moment op voet van oorlog mee stond - in een kwaad daglicht te plaatsen. Salomo had in zijn tijd namelijk nog dezelfde soort diensten gehouden in zijn Tempel als Jerobeam later te Bethel gewoon doorgang zou laten vinden.

Jerobeam werd zo in ieder geval de eerste koning van het afgesplitste koninkrijk Israël, en de Tempel te Bethel werd weer volledig in ere hersteld als belangrijkste ‘Huis Gods’. Al waren na de bouw van de Tempel van Salomo velen Bethel wel altijd trouw gebleven. De tegenstander van Jerobeam, Rehabeam, werd toen de koning van het behoorlijk gekrompen koninkrijkje Juda.



Wat is het toch moeilijk om een verslag te schrijven over onze beklimming van de Berg van God zonder in ellenlange verhalen uit de vroege geschiedenis te vervallen. Maar zonder al die verhalen zou deze daad eigenlijk helemaal geen toegevoegde waarde hebben. Dan was het ‘gewoon’ maar een berg geweest zoals zovele anderen waar ook ter wereld.


 
Dat is dus niet zo, want hier is die Heilige Hoogte van Bethel, op de Berg van God, waar de allereerste Tempel der Hebreeën ooit stond. De plaats waar God woonde…of misschien nog wel steeds woont. Wat zou deze plaats ons mogelijk kunnen vertellen over die ene God waar miljarden mensen in geloven, of ze nu Joods, Christelijk of Moslim zijn?

In het volgende deel zullen we daar iets verder op in gaan.

Cultuurmeneer: Ik hoop dat er een interessante samenvatting komt met de belangrijkste conlusies want dit reisverslag heeft me nu ondertussen naar zoveel zijweggetjes gestuurd dat ik de draad ergens in aflevering vier of vijf al kwijt ben geraakt.

(Is misschien ook niet helemaal mijn genre, reisverslagen...)
(bericht gewijzigd op 22-1-2009 17:12:47)
God... Dat ben je zelluf!
Op 22-01-2009 17:10:39 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
KC: Ik vind het ook een zware geschiedenis les, maar wel een hele waardevolle! Petje af, Jean-Bob Ildanach..
Ik ben omdat 'ik' is. 'Ik' heeft nooit niks en is voor altijd.
Op 23-01-2009 18:54:53 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
paps: Ik ben niet gelovig opgevoed maar heb me altijd goed verdiept in de bijbel, met name het oude testament.

Ik vind het een uitmuntende reeks, ik lees het met veel plezier. Het geeft me haast het gevoel alsof ik er zelf geweest ben.
Koester uw onwetendheid, de rest kunt u opzoeken.
Op 23-01-2009 20:24:29 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Salomé: Het is zo boeiend. Hulde voor de schrijver van deze delen.
Op 24-01-2009 6:58:42 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden