In een vorig blogje spraken we over panspermia. Leven dus dat op de een of andere manier ruimte en tijd wist te overbruggen om uiteindelijk op aarde neer te slaan. Sir Fred Hoyle en Professor Chandra Wickramasinghe brachten dit idee met wisselend succes onder de wetenschappelijke aandacht en langzaam maar zeker gaan de oogjes open.

De 'rode regen' die in 2001 na 'knallen' in de lucht over een deel van India viel lijkt het officiële startschot te worden voor serieus nader onderzoek. Maar was die rode 'regen' dan zo uniek? En als panspermia eigenlijk heel normaal zou zijn, dan valt er toch wel vaker "leven" uit de lucht? Tijd om eens een duik in het verleden te nemen...


panspermia
panspermia

We pakken het gelijk goed aan en keren terug naar het begin van onze jaartelling. Julius Obsequens was ondere andere scribent aan het Romeinse hof. Hij beschreef in korte en krachtige zinnen voorvallen uit het keizerrijk. Noodweer hier, een overstroming of aardbeving daar, en bij wie de hersens waren ingeslagen of juist andersom. Van dat soort dingen dus. Maar ook schreef hij over meteorieten die gezien waren en gelukkig ook over vreemde regens. Ik citeer hieronder alleen maar even de tot vreemde regens betrekking hebbende stukken. Wie wil weten wat nog meer voorviel in het Romeinse rijk van Obsequens kan hier de Duitse en Latijnse weergaven lezen."


111 v.Chr. "het regende dagenlang melk en die werd door de offerdieren opgedronken".
108 v.Chr. "Tweemaal regende het melk".
106 v.Chr. "het regende bloed". ( in combinatie met gerommel en vuur in de lucht.. zie rode regen 2001 te India)
95 v.Chr. "In Caere regende het melk".
94 v.Chr. "Er werd een 'fakkel'aan de hemel gezien en de hemel leek te branden, de aarde druppelde bloed en werd hard".

In de jaren die zouden volgen maakten meerdere lieden zo nu en dan melding van "vreemd" spul dat uit de lucht was gevallen. Neem bijvoorbeeld dit stukje uit een brief van de Bisschop van Cloyne met betrekking tot een "zeer vreemd fenomeen" dat plaats vond in de lente van 1695 en gezien werd in Munster en Leinster. Met het 'zeer vreemde fenomeen' bedoelde de Bisschop dat er "boter" uit de lucht was gevallen, een zachte en klam aanvoelende substantie met een gele kleur."de koeien vraten ongeïnteresseerd de in het veld gevallen substantie op. Het viel in brokken zo groot als het uiteinde van iemands vinger en het gaf een sterke geur af". Aldus zijne heiligheid die het spul de naam "stinkende douw" meegaf. Naar verluidt verzamelde de boeren het goedje omdat het een medicinale werking zou hebben en goed zou zijn om bijvoorbeeld brandwonden mee te behandelen.


( Zo kan men zich de werking van panspermia zich voorstellen, het eitje is de meteoriet en het water onze dampkring )

Maar wie echt meer wil weten over bizarre regens moet toch echt even de archieven induiken die Charles Fort (in zijn boek "book of the damned") zo minutieus voor het nageslacht heeft vergaard, een greep uit zijn aantekeningen:

Report of the British Association 1878-376: "een bruine chocolade-achtige substantie was tegelijkertijd met meteorieten gevallen". (geen verdere data).

Annual Register 1821-681: De Franse consul in Pernambuco, M. Laine rapporteerde een regen van een op zijde lijkende substantie in grote hoeveelheden. Een monster werd voor onderzoek naar Parijs gezonden en blijkens een publicatie in Annales de Chimie, 2-15-427 wees analyse uit dat de substantie inderdaad wat weg had van zijde draden.

(Een enorme hoeveelheid blauw zijdeachtig materiaal viel volgens Annales of Philosophy n.s. 12-93 ook in Naumberg op 23 maart 1665).

Comptes Rendus 23-542, In Wilna, Rusland, viel op 4 april 1846 tijdens een storm een substantie in brokken zo groot als noten en plakkerig en gelatineachtig van structuur. Het was reukloos maar bij verbranding gaf het een duidelijke zoete geur af. Hoewel op gelatine gelijkend was de structuur steviger. Na 24 uur onder water zette het materiaal zich uit maar bleef op gelatine lijken. De kleur was grijsachtig.

R.P Greg een verwoed verzamelaar van gegevens over meteorieten rapporteerde in het Philisofical Magazine 4-8-463 over regens van een lijmachtige substantie die in de jaren 1652, 1686, 1718, 1811, 1819 en 1844 gevallen was. In een rapport gepubliceerd in de Report of British Association 1860-63, beschrijft Greg een voorval van een meteoor die laag over de grond tussen het Duitse Barsdorf en Freiburg scheerde. De volgende dag vond men op die route een geleiachtige massa in de sneeuw. Greg voegde eraan toe dat op 6 september 1835 een meteoriet viel in Gotha, Duistland en ook deze meteoriet liet een spoor van geleiachtige substantie achter.

Ik zou nog wel pagina's lang kunnen doorgaan (maar doe ik lekker niet). Wel wil ik toevoegen dat uit de verslagen blijkt dat er ook vaak op kool gelijkend materiaal uit de lucht was gevallen waarvan de samenstelling volgens analyse van 25 tot 50 procent organisch bleek. Ook zijn er regens van schilferachtig materiaal gerapporteerd, volgens analyse in vergaande staat gecomposteerd organisch materiaal. De lijst is lang heeeel lang.

Ondanks de schat aan historische verslagen die er toch op wijzen dat al sinds mensenheugenis vreemd materiaal uit de lucht valt begint het nu pas bij de wetenschappers te dagen dat dergelijk spul wel eens te maken zou kunnen hebben met het leven op aarde.

Wij waren al zo ver om de aanname van panspermia serieus te nemen. Nu nog even de vraag beantwoorden waar al die vreemde substanties vandaan komen?
Sitemap - © 2016Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden