In de vorige delen vertelde ik over mijn reis naar Egypte in 2009 en hoe ik daar steeds weer terug moest denken aan Kreta, het land van de Keftiu in Faraonische tijden.

 

Ik was in Egypte in aanraking gekomen met afbeeldingen van de 'Zeevolken', volken waar ik ooit al eens een onderzoekje naar had verricht omdat de herkomst van die volken mij intrigeerde.
Het verhaal over deze volken is dat er tijdens het bewind van Merenptah en later Ramses III ineens hele stammen met vrouwen en kinderen per boot in Egypte landden met de bedoeling zich daar te vestigen.
Het schenen nogal krijgshaftige lui te zijn geweest en de Egyptenaren hadden ze met moeite weten te verjagen naar onder andere de kust van Palestina.

Van de Keftiu, die eerste inwoners van Kreta, was bekend dat die tamelijk vredelievend moeten zijn geweest. Veel sporen van wapens uit die periode zijn er namelijk nooit gevonden op Kreta, enkel maar afbeeldingen van allerlei vreedzame zaken als bloemen en dieren...

 

 

 

 

en natuurlijk mooi geklede vrouwen waarvan de kleding niets van hun vrouwelijkheid verhulde.

 

 

 

De Keftiu waren bij de Egyptenaren als zeevarende handelaars bekend geweest en men had graag de door hen verscheepte producten van hen afgenomen. Egyptische afbeeldingen van de Keftiu, die onder andere te Medinet Habu te zien zijn, tonen dat aan.
Er is overigens ook al eens geopperd dat de Kretenzische vrouwenmode erg bij de Egyptische dames in trek moet zijn geweest.
Zoals ik in een vorig deel reeds schreef waren de Egyptische dames in die tijd vaak nauwelijks gekleed. De Kretenzische mode bood hen echter de gelegenheid om zich toch geraffineerd te kunnen kleden zonder de symbolen van hun vrouwelijkheid verloren te laten gaan.

Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat de Keftiu de eersten zouden zijn die de Egyptenaren het 'keizerlijke purper' - product van de purperslak (Murex trunculus) - zouden leveren. Daar heb ik een goede reden voor, die in een van de volgende delen aan bod zal komen.

Echter, omstreeks 1600 v. Chr. was het ineens met de handel gedaan. Een alles vernietigende uitbraak van vulkaaneiland Santorini (Thera) maakte een einde aan de handelsvaart der Keftiu. De noordkust van Kreta werd getroffen door een tsunami die vermoedelijk ergens tussen de 30 en de 90 (!!!) meter hoog moet zijn geweest en de meeste bevolkingscentra der Keftiu die zich daar bevonden werden hierdoor zwaar beschadigd of geheel vernietigd.

Maar ook alle Kretenzische handelsnederzettingen die zich op de Griekse eilanden hadden bevonden – waaronder op Santorini zelf – gingen ten onder, evenals een aantal op het vasteland van Griekenland zelf, die evenmin ongeschonden waren gebleven door die tsunami.

 

Op dat vasteland had zich juist in de jaren ervoor een nieuw volk gevestigd dat vanuit hun thuisland in de Russische steppen zuid-westwaarts was getrokken. Dit was een Indo-Europees volk geweest dat men later zou gaan identificeren als de Myceners.
Deze Myceners hadden de aanwezigheid der Keftiu aan de kusten van het land dat zij binnenvielen geduld omdat die beschaafder waren geweest dan zijzelf en over vaardigheden beschikten – zoals de zeevaart – waar zij nog geen kennis van hadden.
Maar dit zou na de uitbraak van Santorini veranderen.

Als oorspronkelijk nomadisch volk waren deze Myceners krijgshaftig geweest – in tegenstelling tot de tamelijk vreedzame Keftiu – en toen de Keftiu het grootste deel van hun vloot kwijt waren geraakt tijdens de tsunami grepen de Myceners de macht. Eerst op het vasteland van Griekenland zelf, maar later ook op de eilanden.
Kennis over het bevaren der zeeën schenen zij zich in de voorliggende jaren al eigen te hebben gemaakt – misschien wel in dienst van de Keftiu – en hun uiteindelijk doel werd het om Kreta zelf ook te veroveren en zo het oorspronkelijke domein der Keftiu geheel in handen te krijgen. En daar zouden zij in slagen.

Het is voor menigeen altijd een raadsel geweest waardoor de hegemonie der Keftiu na die uitbraak van Santorini zo volledig verloren zou zijn gegaan, want enkel de nederzettingen in het noorden van Kreta waren door die enorme tsunami getroffen.
Het zuiden van Kreta – waar zich bijvoorbeeld te Phaistos de op een na grootste nederzetting der Keftiu bevond – kon nooit veel te lijden hebben gehad van die vloedgolf, daar de bergketen die het noorden en het zuiden van Kreta van elkaar scheidt daarvoor gewoon veel te hoog is (meer dan 2000 meter).

Maar zoals ik in een vorig deel reeds schreef was Kreta zeker in de eeuwen rond de uitbraak van Santorini reeds meerdere malen getroffen door heftige aardbevingen. Het eiland was zelfs in de loop der jaren ten dele gekanteld waardoor op een zeker moment het westen enkele meters omhoog zou zijn gekomen en het oosten daarentegen omlaag was gezakt.
Hierdoor was de voor de Keftiu belangrijke handelshaven Itanos in het oosten van Kreta zelfs onder water komen te liggen.
De archeologische opgravingen te onder andere Phaistos, Zakros en Itanos tonen aan dat deze nederzettingen het meest waarschijnlijk door aardbevingen zijn vernietigd.
Toen deze nederzettingen later ten dele weer werden opgebouwd waren zij deels Myceens geweest en niet meer helemaal origineel van de Keftiu.
Wel schijnt er vooral in het oosten van Kreta nog lange tijd sprake geweest te zijn van een volk wat men de Eteo-Kretenzers noemt, waarmee men de oorspronkelijke Kretenzers – de Keftiu – aan wil duiden. Deze konden in het tamelijk onherbergzame binnenland nog enige tijd redelijk ongestoord verder leven en schenen het beste te herkennen te zijn geweest aan hun iets donkerder huidskleur.

Aardbevingen zouden nog vele eeuwen lang het eiland Kreta blijven teisteren en vele opnieuw opgebouwde nederzettingen werden hierdoor wederom vernietigd.
En het zijn waarschijnlijk deze omstandigheden geweest die velen onder de mogelijk toen al grotendeels Myceens geworden bevolking er op een zeker moment toe deden besluiten hun heil alsnog maar elders te gaan zoeken.
Egypte – waar de Keftiu in het verleden altijd handel mee hadden gedreven – leek de vluchtelingen in spe een goede optie.



Zodoende werden er na de zoveelste vernietigende aardbeving schepen uitgerust met hele families die naar Egypte vertrokken.
Maar de mannen op dit schip waren nu wel uitgerust geweest met bronzen schilden, lange zwaarden en helmen, geheel in Myceense traditie.

Zo zagen ze er bepaald niet uit als de vreedzame handel drijvende Keftiu van weleer.
En juist hierdoor werden zij onder Ramses III verjaagd van de Afrikaanse kust; men kon in hen niet meer de voormalige handelspartners van hun voorgangers herkennen.
Het waren in Egyptische ogen louter 'Zeevolken' geweest met kwalijke bedoelingen.

 

Verjaagd uit Egypte streken ze toen maar neer aan de kust van Palestina. Dat de naam te danken heeft aan PLST (peleset), een naam die de Egyptenaren onder andere aan deze 'Zeevolken' gaven en wat in die dagen nog min of meer onder Egyptisch bewind stond.
Deze kust kan de vluchtelingen uit Kreta nooit helemaal vreemd zijn geweest, want te Gaza had zich sinds hun hoogtijdagen reeds een handelsnederzetting der Keftiu bevonden waar mogelijk velen van hen al naar waren uitgeweken na de uitbarsting van Santorini en de invallen der Myceners op hun eiland.
In Palestina had men die Kretenzers Caphtor (Kaftor) genoemd en zij worden onder die naam zelfs genoemd in het Oude Testament van de Bijbel (Jeremia 17:4 en Amos 9:7 en Deut. 2:23).
Hierin kan men dan tevens lezen dat Filistijnen – de Myceens-Kretenzische Zeevolken die uit Egypte hier naartoe waren gedreven - en de Caphtor slaags zouden zijn geraakt eerst.
Wat natuurlijk niet zo verwonderlijk is dan.
Maar uiteindelijk werd het door gemengde huwelijken toch nog één volk zoals op Kreta zelf ook reeds was gebeurd en noemt men als het stamland van al deze Filistijnen enkel Kreta.

In diezelfde Bijbel kan men trouwens ook lezen hoe de Hebreeuwse koning David strijd levert tegen de 'Filistijnen' maar (later???) wel Crethi en Plethi (2 Samuel 8:18) als persoonlijke lijfwacht neemt. En de omschrijving 'Crethi en Plethi' geeft duidelijk aan dat dit voormalige inwoners van Kreta moet hebben betroffen!

Het bovenstaande vertelt ons al aardig wat over de mogelijke herkomst der Zeevolken, en hoe men het ook wendt of keert, men komt telkens toch weer bij Kreta uit.
Er blijkt in die periode van de geschiedenis en in dat deel van de wereld duidelijk sprake van meerdere golven van vluchtelingen die van Kreta kwamen.
Wie en wat die tweede golf van vluchtelingen van Kreta had betroffen was me inmiddels wel duidelijk. Maar hierdoor was mijn aandacht juist verschoven naar die eerste golf, want die eerste golf had nog authentieke Keftiu betroffen – oftewel de oorspronkelijke Kretenzers die veel later door Sir Arthur Evans voor het eerst 'Minoïers' zouden worden genoemd. Terwijl die tweede golf slechts Kretenzers had betroffen die bestonden uit een mix van Keftiu en Myceners die hun oorspronkelijke taal reeds hadden ingeruild voor het Griekse dialect der Myceners en meer krijgshaftige tradities hadden gekregen.

Die eerste golf van Keftiu-vluchtelingen na de uitbarsting van Santorini en de bezetting van hun thuisland door Myceense Grieken, had waarschijnlijk niet eens geprobeerd eerst Egypte aan te doen maar was gelijk uitgeweken naar andere oude handelsposten van hun volk.
Gaza was er daar maar eentje van geweest.

 

 

 

Maar een andere belangrijke uitwijkplaats voor vluchtelingen van Kreta moet volgens mij Troje zijn geweest.

 

 



Want al liggen de huidige ruïnes van het door Heinrich Schliemann opgegraven Troje tegenwoordig meer landinwaarts...

 

 

 

 

 

Ooit was dat wel anders en bevond het zich aan - een inmiddels volledig verzandde – baai.

 

Bovenstaand kaartje laat zien hoe het er bij Troje moet hebben uitgezien in de tijd dat de Myceense Grieken zich begonnen te storen aan deze resterende handelspost der Keftiu.

Volgens mij is de slag om Troje namelijk niets anders geweest dan een poging de laatste restjes van de beschaving der Keftiu te vernietigen nadat zij de kust van Griekenland reeds in vaste handen hadden gekregen en zelfs het oorspronkelijke eiland der Keftiu (of Minoïers) hadden veroverd.

Een van de weinige plaatsen waar de vluchtelingen der Keftiu lange tijd na de uitbarsting van Santorini nog een ongestoord bestaan hadden kunnen lijden was aan deze 'poort' naar de Dardanellen en de zee van Marmara, namelijk Troje.
Hier konden zij op bescheiden vlak voortgaan met datgene wat zij altijd reeds hadden gedaan, namelijk zeevarende handel.
Er bestaat de mogelijkheid dat zij tol hieven op schepen die de Zwarte Zee op wilden varen en dat dit de inmiddels eveneens zeevarende Myceners ook stoorde, maar niets is zeker wat dat aangaat.

De aanwezigheid van de oer-inwoners van Kreta op dit strategische punt was in ieder geval een doorn in het oog van de te Mycene wonende koning Agamemnon die de Myceense heerschappij enkel maar uit wilde breiden en nergens meer geconfronteerd wilde worden met de restanten van die zo verschillende cultuur der Keftiu (al hadden de Myceners zonder er erg in te hebben genoeg van die cultuur over genomen).

Het onderscheid tussen de cultuur der Myceners en die der Keftiu is nog het duidelijkst te herkennen aan de plaats die vrouwen binnen de respectievelijke samenlevingen hadden.
Waren de vrouwen der Keftiu op Kreta nog gelijkwaardige burgers met het recht om te erven geweest - en hadden zij daarnaast ook nog vaak de rol van Priesteres vervuld in de Tempels op de Heilige Hoogtes - voor de Grieken waren zij meer een soort bezit van hun echtgenoten met als voornaamste rol het bestieren van het huishouden en het krijgen van vooral zonen.

Dit komt in de Ilias – het verhaal over de oorlog om Troje - van Homeros eigenlijk duidelijk genoeg naar voren, het is volgens dit verhaal zelfs de reden van deze oorlog.
Helena wordt uitgehuwelijkt aan Menelaos – de broer van Hogekoning Agamemnon – die dan middels dit huwelijk Sparta onder zijn beheer zou krijgen.
Zelf was Agamemnon overigens getrouwd met de zuster van Helena, Clytemnestra, maar hij voelde zich eveneens zeer tot Helena aangetrokken.

Helena was dus als een stuk vee verhandeld en werd door een trotse Menelaos gepresenteerd aan zijn nieuwe Spartaanse onderdanen.
Enige tijd later kwam er toen een afgezant van Troje op bezoek.
Ik laat nu even de hocus-pocus van het verhaal waarin Helena een dochter van de God Zeus was en de mooiste vrouw van de wereld waar Paris gewoon wel verliefd op MOEST worden achterwege.
Paris – een jongere zoon van Priamos de koning van Troje- behandelde zijn gastvrouwe Helena op de wijze die men in Troje gewoon was en gaf haar zo een deel van haar zelfrespect terug met alle gevolgen van dien... misschien.

Want of Paris´ verleiding van Helena en het meevoeren van haar naar Troje nu waar is of niet,

oorlog was er toch wel gekomen. Agamemnon was vast van plan geweest dit binnen zijn invloedssfeer resterende bolwerk van de Keftiu te vernietigen.

De rest van het verhaal mag misschien wel bij de meeste lezers bekend zijn, maar ik zal er in het belang van mijn verhaal toch nog even een samenvatting van geven.

Alle Myceens-Griekse koningen van het vasteland en de eilanden in de Egeïsche zee werden bijeengeroepen om een leger te vormen voor de strijd om Troje. Al dan niet door middel van een eed van trouw.
Troje bleek echter een harde noot om te kraken, in tegenstelling tot de steden in het land der Keftiu zelf bezat Troje namelijk wel verdedigingswerken. Dit kan zijn geweest omdat de Kretenzers daar nu eenmaal in den vreemde verkeerden, of omdat ze al genoeg met de Myceense agressie te maken hadden gehad om te weten dat dit noodzakelijk was om stand te kunnen houden.
Dat er een lange strijd voor nodig was om Troje te doen vallen wil ik best wel geloven, al meen ik dat het een dichterlijke vrijheid van Homeros - of degene van wie hij het verhaal had gehoord - was om deze strijd 10 jaar te laten duren.

Of er een paard en een list van Odysseus voor nodig was om Troje uiteindelijk te doen vallen, dat laat ik ook in het midden. De stad bleek op den duur niet opgewassen tegen de overmacht en de Myceners wisten de stad binnen te vallen.

 

In plaats van de stad gewoon in te nemen en er zelf met de scepter te gaan zwaaien zouden ze hem hebben vernietigd, volgens het verhaal van Homeros dan.
Ook dat hoeft weer niet helemaal waar te zijn, want doorgaans bezetten de Myceners liever het veroverde land om er dan zelf de vruchten van te gaan plukken.

 

Van de vele Troje's die er boven op elkaar zijn gebouwd – en zo zijn opgegraven – zijn er diverse die niet zijn vernietigd op een wijze zoals in de Ilias wordt beschreven. En dit plaatst de waarheid wat betreft de beschrijving van Homeros over wat er gebeurd zou moeten zijn weer in een heel ander licht. Het verhaal mag in grote lijnen dan wel kloppen, er zijn genoeg dichterlijke vrijheden in geslopen.
Maar daar gaat het ons nu eigenlijk niet om. Het gaat mij er nu vooral om wat er met diegenen gebeurde die aan de Myceense veroveraars wisten te ontkomen toen Troje viel.

Daarvoor moeten we dan even een uitstapje maken naar een heel ander boek dat daar over vertelt, namelijk de Aeneïs van Vergilius.
In dat boek probeert men voornamelijk aan te tonen hoe de vroegere inwoners van Latium, de Etrusken, af zouden stammen van Trojaanse vluchtelingen die na allerlei avonturen uiteindelijk in Italië waren beland.
Het deel waarom het ons echter nu gaat is hoe die vluchtelingen Troje uit zouden komen en waar ze in eerste instantie naartoe zouden vluchten.
Omdat ik zo dan hoop aan te kunnen tonen dat het wat betreft de inwoners van Troje hoofdzakelijk om Keftiu kan hebben gehandeld, die eerste inwoners van Kreta en het allereerste volk dat eigenlijk de naam 'Zeevolk' verdient.

We beginnen dan bij boek 2 van de Aeneïs dat vertelt hoe Aeneas – de Trojaanse held waarnaar het boek is vernoemd – in een droom van de door Achilles verslagen prins Hector te horen krijgt dat hij Troje moet verlaten en naar de berg Ida moet gaan. 

In de naam van die berg schuilt volgens mij gelijk dan een eerste aanwijzing over wie die Trojanen oorspronkelijk waren.
Aeneas geeft dan gelijk gehoor aan deze raad en samen met vele anderen weet hij uit de brandende stad te ontkomen.

 

Boek 3 van de Aeneïs vertelt dan dat zij op de berg Ida besluiten schepen te bouwen om met zijn allen ergens opnieuw te beginnen. Eerst wordt voor Thracië gekozen maar op het laatste moment wordt duidelijk dat dit toch niet de meest veilige plaats is om naartoe te gaan en zet men koers naar het eiland Delos waar men een orakel raadpleegt.

Dit orakel vertelt dan dat ze terug moeten gaan naar het land van de voorouders der Trojanen! Dan wordt het dus interessant voor ons.
Echter, Aeneas heeft er geen idee van waar de Trojanen van oorsprong vandaan kwamen dus hij moet hiervoor zijn vader Anchises raadplegen die dit mogelijk nog wel weet.
Anchises vertelt zijn zoon dan dat vele jaren geleden een man die Teucros heette vanuit Kreta was vertrokken naar Klein-Azië (Turkije) waar hij de stad Troje had gesticht.

Nu komt dit verhaal dus van Vergilius – een Romein – en die heeft het dan weer mogelijk gehoord van Etrusken die in Italië woonden en waar de Romeinen veel van over hadden genomen, maar dat maakt het nog niet onmogelijk dat er waarheden in het verhaal verscholen zitten. Uiteindelijk stamt het behoorlijk aangedikte verhaal van Homeros eveneens van iemand die het vele eeuwen later pas vertelde en toch bleek er genoeg waarheid in te zitten waardoor Schliemann in staat zou zijn Troje te vinden. Wat hem in staat stelde aan te tonen dat deze stad echt bestaan had, al was de stad al duizenden jaren begraven geweest onder metersdik puin.
Het gegeven dat Kreta als oorspronkelijk thuisland der Trojanen wordt genoemd in de Aeneïs lijkt mij niet zomaar uit de lucht gegrepen. Daarnaast komt dan ook nog eens het feit dat de naam van die ene berg Ida een naam is die men tevens op Kreta tegenkomt als naam van een van de hoogste bergen van dat eiland.
Toeval? Persoonlijk denk ik van niet.
Voor een zo belangrijk zeevarend volk als de Keftiu was het niet anders dan logisch dat zij - naast vele andere plaatsen in de Middellandse zee – tevens een handelsnederzetting stichtten aan het begin van de zeestraat die naar de Zwarte Zee leidde.
Als men dan daarnaast enkele van de gebruiken der Etrusken – inwoners van Italië voordat de Indo-Europese Latijnen kwamen – in ogenschouw neemt, dan kan men zekere overeenkomsten vinden tussen de Etrusken en de Keftiu.

Maar om dan nog even een stukje te volgen uit boek 3 van de Aeneïs – want uiteindelijk bleven die vluchtelingen schijnbaar niet op Kreta maar belandden in Italië – eenmaal op Kreta aangekomen gaat het ze toch niet voor de wind en hebben ze mislukte oogsten, te weinig water en ziektes.
Traditie geeft aan dat ze ergens aan de noordelijke kust van west Kreta aan land zouden zijn gegaan en dat land zal waarschijnlijk in die periode nog veel te lijden hebben gehad van de gevolgen van de uitbraak van Santorini, vulkanische neerslag die de grond onvruchtbaar kan hebben gemaakt en bronnen kan hebben vervuild, naast de vele aardbevingen die plaatsvonden in dat gebied.
Ze keren daarom wederom terug naar het orakel van Delos dat hen dan zegt dat zij naar Italië moeten vertrekken.
Via een omweg - en met avonturen hun voormalige tegenstander Odysseus waardig - belandden zij volgens Vergilius eerst nog in Carthago. Wat in de dagen van de schrijver nog de vijand der Romeinen was, en hier zit dan mogelijk weer een stukje propaganda in verstopt. Maar hier blijven de Trojaanse vluchtelingen niet en zij vervolgen hun reis naar Sicilië waar volgens het verhaal – we zijn dan inmiddels in boek 5 aangekomen – ineens blijkt dat daar een andere Trojaanse vluchteling zou verblijven die naar de naam Acestes luisterde.

Dit is evenmin echt vreemd te noemen daar de Keftiu beslist op het centraal in de Middellandse Zee gelegen Sicilië eveneens een handelspost moeten hebben gehad. Of die Acestes dus daadwerkelijk een Trojaan is geweest of gewoon een Minoïer van het eiland Kreta voor de invasie der Myceners is nog maar de vraag.

 Na nog enkele verwikkelingen op Sicilië en het achterlaten van de ouderen en een groot aantal vrouwen vertrekken de Trojaanse vluchtelingen toch weer om hun reis te vervolgen naar het vasteland van Italië.


 

Boek 6 vertelt dan hoe ze in Italië aankomen en daar een tempel van de Sibyllen bezoeken die 'toevallig' wel weer gebouwd bleek te zijn door een andere beroemde Keftiu – Minoïsche Kretenzer dus – namelijk de uitvinder Daedalus. Diegene die ooit vleugels had uitgevonden en het labyrint op Kreta had gebouwd.

 

Mijns inziens schuilen in dit hele verhaal meer verwijzingen naar de eerste en oorspronkelijke Kretenzers dan voor een mogelijk propagandistisch verzinsel van Vergilius noodzakelijk zou zijn.
In zijn tijd kan er namelijk nog nauwelijks veel over de Keftiu bekend zijn gebleven; zelfs de Myceners hadden in zijn tijd het veld inmiddels alweer geruimd voor een ander Grieks volk wat nog militanter dan hen was gebleken, namelijk de Doriërs.
Dat er dan desalniettemin verwijzingen in dit verhaal schuilen naar die eerste inwoners van Kreta kan volgens mij enkel maar inhouden dat het in die dagen gewoon bekende feiten waren die in de overlevering bewaard waren gebleven en als vanzelfsprekend werden doorverteld.
--------------------------------------------------

Ik begon dit hele verhaal dus met te vertellen over de Indo-Europese Myceners, hoe zij het dominante volk over het gehele Egeïsche gebied wisten te worden en zelfs Kreta wisten te veroveren waar zij zich waarschijnlijk middels huwelijken mengden met de daar nog achtergebleven Keftiu.
Hoe velen van hen na diverse natuurrampen – aardbevingen en dergelijke – mogelijk uitweken naar Egypte waar zij als ongewenste 'Zeevolken' zouden worden geweerd en naar de kust van Palestina werden gedreven.

Daarnaast heb ik beschreven hoe zij hun best zouden doen vele sporen van de beschaving der Keftiu in het Egeïsche gebied uit te wissen of naar believen zo te veranderen dat het hen beter paste.
Een goed voorbeeld van de cultuurverschuiving die er in die periode – en zelfs later nog in die van Homeros - gaande was is heel goed te ontdekken in de lotgevallen van de Griekse held Odysseus.
In de tijd dat deze verhalen door Homeros werden verteld waren inmiddels de Griekse Doriërs degenen die de macht hadden over de Griekse eilanden en de kust van Klein-Azië, en deze hadden zo mogelijk nog minder begrip voor de cultuur der Keftiu gehad – waarin de eerder door mij beschreven gelijkheid der seksen – dan de Myceners.
En wat was er een beter middel om de bevolking duidelijk te maken dat de Griekse wijze van leven zoveel beter was dan die der Keftiu dan door er griezelverhalen over te vertellen?

 

Natuurlijk bestond in die dagen reeds het weerzinwekkende verhaal over de Minotaurus, het product van een geslachtelijke vereniging tussen Pasiphae - de vrouw van koning Minos - met een stier...

 

...dankzij een uitvinding van de reeds eerder genoemde Daedalus had zij dit weten te bewerkstelligen.
Aan deze Minotaurus moesten later met regelmaat natuurlijk Griekse jongelingen van het vasteland worden geofferd, tot de Griekse held Theseus hier een eind aan wist te maken.
Maar de avonturen van de Griekse held Odysseus geven eigenlijk eveneens aan dat het op eilanden waar de cultuur der Keftiu nog waarneembaar was, het voor Grieken geen goed toeven betekende.
Homeros vertelt ons in zijn Odyssee weer een heel ander soort griezelverhalen die menig Griekse man – en vrouw (?) - zal hebben doen sidderen.

Zoals bijvoorbeeld het verhaal van de Tovenares (Hogepriesteres) Circe die bovenop haar berg – duidelijk een Heilige Hoogte zoals die op Kreta zelf nog te vinden zijn – allerlei onschuldige Grieken in dieren veranderde, totdat Odysseus de liefde met haar bedreef.

Wat weer een duidelijke verwijzing is naar het ritueel van Hieros Gamos, oftewel Heilig Huwelijk, zoals dat op Kreta gewoon was geweest in de dagen der Keftiu.
Daarnaast kwam Odysseus in aanraking met Sirenen, wederom vrouwen die met hun mooie gezang onschuldige Griekse mannen de zee in wisten te lokken om ze de dood te laten vinden door verdrinking.

 

Dan zijn de beslist niet 'toevallig' vrouwelijke monsters Scylla en Charybdis er nog die de Grieken probeerden te doden, en natuurlijk Calypso op haar eiland vol met vrouwen, die de mannen van hun doel af probeerden te houden.
De vrouwonvriendelijke benadering in deze verhalen geeft duidelijk aan hoe de Grieken hun best deden de erfenis der Keftiu als slecht af te schilderen en de burgers duidelijk te maken dat men er niets goeds van kon verwachten.
--------------------------------------------------------

Met deze beschrijving van de geschiedenis der Keftiu en hun opvolgers heb ik in dit deel gepoogd om aan te geven hoe het de allereerste zeevaarders zou zijn vergaan.
Ik heb beschreven hoe zij op diverse plaatsen aan de Middellandse Zee een nieuw bestaan probeerden op te bouwen nadat het op hun eiland door allerlei verschillende oorzaken onleefbaar voor hen was geworden.
Die allereerste Kretenzers die door de Egyptenaren Keftiu werden genoemd - en door de Hebreeën in Palestina Caphtor - zouden zich hoe dan ook later vermengen met andere volken. Vooral met de Indo-Europese Grieken die hun eiland eerder al hadden bezet en toen deze agressors later zelf vluchtelingen waren geworden zouden zij toch weer tot elkaar worden veroordeeld aan de kusten van Palestina.
Daar zouden zij ook huwelijken sluiten met de autochtone inwoners die men nu vooral als Kanaänieten zou omschrijven. Dat betrof waarschijnlijk een Semitisch volk dat uit de hooglanden van nabij Mari was gekomen en in die dagen aan de kust van wat men nu Libanon en Israël noemt was gaan wonen.
Want hoe zou dit oorspronkelijke herdersvolk anders aan hun plotselinge kennis over de zeevaart zijn gekomen - wat ze later de bijnaam Phoeniciërs zou gaan bezorgen - en hen tot de nieuwe grote handelsvaarders van het mediterrane gebied zou maken, met welvarende kolonies zoals Carthago?
Deze GW'er is abonnee
Meneer Glimlach: Poe, wat een artikel!
Even op me in laten werken...
Wie weet tegenwoordig nog wat waar is?
Op --0 18:20:07 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
lange wapper: Knap werk ! Zal nog wel méér dan eens dienen herlezen te worden eer het verwerkt is door mijn brein ... In elk geval: proficiat !
Op 01-03-2011 21:16:08 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
arto: In diezelfde Bijbel kan men trouwens ook lezen hoe de Hebreeuwse koning David strijd levert tegen de 'Filistijnen' maar (later???) wel Crethi en Plethi (2 Samuel 8:1 als persoonlijke lijfwacht neemt. En de omschrijving 'Crethi en Plethi' geeft duidelijk aan dat dit voormalige inwoners van Kreta moet hebben betroffen!

David had ook huurlingen in dienst dus zo vreemd was dat niet, waaronder een Hethietische generaal.
Het bekende verhaal dat David deze generaal naar het slagveld stuurde zodat hij met de vrouw van hem kon rommelen.

Ik was al aan het zoeken of er nog meer bronnen zouden zijn over die Kretenezers die ik in de Bijbel tegen kwam. (gisteren voor het eerst) en zie hier vind ik een heel verslag daar over.
Bedankt

In de Bijbel die ik las heten de Kretenezers;
Deuteronomium 1
23En zo hebben ook de Kaftorieten, afkomstig van Kreta, de Awwieten uitgeroeid die in de buurt van Gaza in dorpen woonden, en zich daar in hun plaats gevestigd.
Op --0 17:46:03 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2014Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden