Op onze reis langs de zuidkust van Kreta – in het spoor van de Zeevolken – waren we nog steeds niet verder gekomen dan Sougia. In de oudheid heette deze plaats Syia, maar uit wat we er inmiddels van wisten begon die oudheid pas in de tijd der Griekse Doriërs, de Minoïsche inwoners van Kreta schenen hier nog niet erg veel te hebben gehad. In ieder geval niets wat sporen na zou laten.
Wat overigens wel sporen had nagelaten was de golvende beweging die het eiland Kreta door de loop der tijd had gemaakt op de zeer levende breuk waarop het eiland zich bevindt.

Bij de veerhaven is namelijk nog heel goed te zien dat het eiland vele meters omhoog is gedrukt sinds de tijd der Minoïsche zeevaarders.
Oorspronkelijk had Sougia niet eens in ons programma gestaan omdat we meenden dat er niets te vinden was wat onze interesse had, en de plaats scheen ons dat zeer kwalijk te nemen want wat we ook deden, we kwamen niet verder.

Het vorige deel was ermee geëindigd dat we op de terugweg waren van onze tweede poging om de volgende bestemming te Agia Roumeli te bereiken. Deze poging was wederom mislukt door verraderlijke wind uit de verkeerde hoek en een tegenwerkende stroming. We hadden ter hoogte van het volgens ons op dat moment niet aanloopbare strandje van Domata besloten om te draaien en terug te varen naar Sougia.
Het was echter wel reeds zo laat dat we wisten dit niet meer bij licht te kunnen halen.
We kenden het strand van Sougia gelukkig inmiddels wel goed genoeg om ons daar niet teveel zorgen om te maken.

Eenmaal in het pikkedonker terug gekomen op ons strandje besloten we nu wel te wachten tot de omstandigheden gewoon ideaal zouden zijn om te vertrekken.
Dat we het oorspronkelijke reisdoel van onze tocht langs de zuidkust van Kreta, vlak voor Kaap Sideros in het uiterste oosten van Kreta niet meer zouden halen was ons inmiddels al wel duidelijk geworden. Maar we wilden niet gaan jakkeren, er zou nog zoveel te zien zijn onderweg.
Net zoals de avonden ervoor gingen we weer wat eten in een van de restaurantjes aan het water in Sougia. Daarvoor was het nog niet te laat, daar mediterrane volken laat eten. Kreta is overigens helemaal niet duur, wat dat aangaat.
We vroegen aan de restauranthouder of hij ons wat kon vertellen over de weerberichten maar we begrepen dat het eigenlijk allemaal behoorlijk onbestendig was.

De volgende dag stormde het… uit het westen. Be careful what you wish for, you just might get it. Wind uit het westen was natuurlijk okay, maar geen storm.

Het was ons toch al duidelijk geworden dat het wel eens lang wachten kon gaan worden.

We maakten van de gelegenheid gebruik om alles wat we inmiddels aan foto´s en films hadden gemaakt voor de zekerheid gelijk ook nog ergens anders op te slaan. Dankzij een zonnepaneeltje bleef de batterij van onze netbook geladen, evenals die van de camera's.


Daarna besloten we de omgeving maar eens wat te gaan verkennen. Er was ons namelijk iets opmerkelijks opgevallen tijdens onze wandelingen van het strand naar het dorp.

Er stond langs de boulevard een bordje van de wandelpaden en een van die wandelpaden voerde naar de 'grot van Polyfimos'.
Polyfimos is een figuur uit de Odyssee van Homeros; dit gaat over de zwerftochten van de Grieks-Myceense held Odysseus terug naar zijn eiland Ithaca na de zege op Troje.
Die reis verliep niet zonder moeilijkheden en het is misschien aardig om hier een idee van te geven…

Vanuit Ilion voerde de wind me naar het land der Kikonen, naar Ismaros,
en daar verwoestte ik hun stad en doodde henzelf en uit die stad roofden wij vrouwen en veel buit en verdeelden die,
Toen drong ik eropaan dat wij zouden maken dat we wegkwamen,
maar zij, erg onnozel, luisterden niet...
Intussen riepen natuurlijk Kikonen die ontsnapt waren naar anderen,
Kikonen bij hen uit de buurt, groter in aantal en dapperder,
uit het binnenland afkomstig. Zij kwamen dan zo talrijk in aantal
als een nevel;
Beide groepen gingen de strijd aan en vochten bij de snelle schepen,
en troffen elkaar met de bronsgepunte speren. Zolang het nu ochtend was en het verheven daglicht nog toenam,
zó lang wisten we hen af te slaan, ook al waren ze met meer.
Maar toen de zon overging naar het begin van de middag,
toen drongen de Kikonen de Achaiers terug in een bloedbad.
Van elk schip sneuvelden zes mannen, wij, de anderen, ontkwamen de dood en het noodlot.
- Vandaar nu voeren wij verder, somber gestemd...


Mag het dan in de tijd dat Homeros het vertelde tot op de dag van vandaag als een 'Heldenepos' worden beschouwd, uit de beschrijving hierboven kunnen we al duidelijk opmaken dat de Griekse Myceners eigenlijk helemaal niet zo'n vreedzaam volk waren en beduidend anders qua instelling dan de Minoïsche Kretenzers dat waren.
Maar het verhaal geeft eigenlijk al aan dat de Goden hen vanwege die houding niet gunstig gezind waren.

Maar wolkenverzamelaar Zeus stuurde een Noorderstorm af op de schepen
met ongelooflijke orkaankracht en met wolken dekte hij land én zee toe en uit de hemel was nacht neergedaald.
En ons konvooi werd voortgejaagd, voorstevens neergedrukt, en in drieën, ja vieren scheurde de windkracht de zeilen; wij haalden ze neer op de schepen, uit angst voor een schipbreuk, en we roeiden die haastig naar het land.
Daar lagen wij uitgeput neer, twee volle nachten en dagen, toen de Dageraad met mooi vlecht de derde dag aankondigde
plaatsten wij de masten en trokken de witte zeilen omhoog, we namen plaats en lieten de wind en de stuurlui koers zetten.
En nu zou ik behouden gekomen zijn naar mijn vaderland,
als mij niet bij het omvaren van Kaap Maleia een verraderlijke golfslag en Noordenwind uit de koers had geslagen en weg van Kythera.
Vandaar werd ik negen dagen lang meegesleurd door ongunstige winden over de visrijke zee; maar op de tiende meerden wij aan bij het land der Lotofagen, die bloemen als voedsel gebruiken,
daar gingen we aan land en wij putten er water, en snel namen mijn mannen hun eten bij de snelle schepen.

De persoon die in dit verhaal vertelt is Odysseus zelf, in boek 9. Het land der Kikonen en daarna het land der Lotofagen (Lotuseters) zijn de eerste landen of eilanden die Odysseus aandoet na zijn vertrek uit Troje. Dat hij problemen had met de wind moge duidelijk zijn; die schijnt nogal verraderlijk te kunnen zijn in dit deel van de Middellandse Zee. De Meltemi, een harde noordwestelijke wind, schijnt vooral de Egeïsche zee nogal te kunnen teisteren.


Het verhaal dat Odysseus vertelt verraadt ons wel waar hij zich ongeveer moet hebben bevonden en dit is dus van belang voor ons reisverhaal want we wilden uitvissen of de grot van Polyfimos vlakbij Sougia – waar wij maar niet weg leken te kunnen komen – daadwerkelijk een plek zou kunnen zijn waar Odysseus was langsgekomen op zijn reis terug naar huis.
Het land der Kikonen moet in Thracië hebben gelegen, dat weet men vandaag de dag vrijwel zeker. Dit land heeft waarschijnlijk nog connecties gehad met Troje in die dagen, vandaar die ronduit misdadige behandeling der Myceense Grieken..
Kaap Maleia bevindt zich aan het uiterst zuidelijke puntje van de Peloponnesos, ze waren door die kaap te ronden nog geheel op koers vanuit Troje op weg naar Ithaca.
Daar vandaan zullen ze wel tussen die kaap en het eiland Kythera - wat zich halfweg tussen westelijk Kreta en het Griekse vasteland bevindt - door hebben willen varen, maar de Meltemi heeft daar waarschijnlijk een stokje voor gestoken. Die harde verraderlijke winden uit het noordwesten hebben het schip uit hun koers gedreven en na 10 dagen belandden ze in het land der Lotofagen, ook wel Lotuseters genoemd.
Bij Lotus zijn wij echter geneigd om aan Egypte te denken, zoals ik in de eerste vier delen van deze serie al duidelijk heb gemaakt. Want deze plant komt enkel in Azië voor, Egypte en… Mantua in Noord-Italië.
Daar stormen als de Meltemi schepen eerder naar het zuid-oosten wegzetten dan naar het noordwesten acht ik die laatste kans erg klein.
-----------------------
Eerst even iets anders nu. Er zijn vele boeken geschreven over de mogelijke route die Odysseus zou hebben gevaren op zijn tocht die 10 jaar zou duren volgens het verhaal. Ik wil aan geen van die mogelijkheden afbreuk doen en nu beweren dat ik de enige juiste route van Odysseus zou kennen.
Ik wil enkel proberen een mogelijke verklaring te vinden voor een aantal zaken die we op onze reis langs de kust van Kreta tegen zouden komen en die met Odysseus te maken bleken te hebben, volgens de Kretenzers. De grot van Polyfimos was het eerste dat uit de Odyssee stamde. Ik probeer nu enkel maar de mogelijkheid na te gaan of de Kretenzers het juist konden hebben en Odysseus inderdaad tijdens zijn reis aan hun kusten was geweest.
-------------------

Maar toen we ons verzadigd hadden met eten en drinken,
toen zond ik mannen uit om te gaan uitzoeken,wat voor mensen in dat land woonden en wat voor voedsel zij aten. Zij nu gingen snel op weg en begaven zich onder de Lotofagen.

Deze Lotofagen beraamden niet de ondergang voor onze mannen, maar zij gaven hen te eten van de lotus.
Maar al wie van hen de honingzoete vrucht van de lotus at, had geen lust meer verslag uit te brengen en wilde niet terug, nee, liever wilden zij blijven bij de Lotofagen en door te eten van de Lotus afzien van de terugkeer.
Ik voerde hen onder dwang naar de schepen, ondanks hun gejammer, en bond hen vast
onder de roeibanken. De andere, trouwe mannen, beval ik haastig aan boord van de snelle schepen te gaan, opdat niemand nog, door lotus te eten af zou zien van de thuisvaart.
Zij nu scheepten snel in en zetten zich aan de riemen, en zittend op rij sloegen zij de zee met hun riemen zodat hij grauw zag. Vandaar nu voeren wij verder, somber gestemd.



Helaas wordt er nu niet vermeld hoe lang ze aan de riemen zaten voordat ze het volgende land bereikten, want dat volgende land, daar gaat het ons nu even om.

Wij kwamen in het land van de brutale, respectloze Cyclopen,
die alles maar overlaten aan de onsterfelijke goden
en geen gewas planten en niet ploegen,
maar alles groeit bij hen zonder zaaien en ploegen: Zeus doet het voor hen gedijen.
Zij wonen op toppen van hoge bergen in gewelfde grotten, en ieder speelt eigen rechter over kinderen en vrouwen, zonder zich iets van elkaar aan te trekken.

Daar strekt zich een vlak eiland uit, schuin tegenover de haven,
noch vlak bij het land der Cyclopen, noch ver er vandaan,
het is bebost en er leven ontelbare geiten op.


Hier wordt nu een eiland beschreven dat zich vlakbij het land van de Cyclopen bevindt.
Het geval wil dat er niet ver van Sougia vandaan het eiland Gavdos ligt en dit zou heel goed aan de beschrijving kunnen voldoen.
 
De Cyclopen kennen geen schepen, en er zijn ook geen scheepsbouwers bij hen, op het eiland ligt een goed te beankeren haven, waar geen lijn nodig is,
of ankerstenen af te werpen, je hoeft het schip slechts op het strand te laten lopen om te wachten tot het hart van de zeelui weer weg wil en de winden waaien.
Toen de schepen waren geland lieten wij alle zeilen zakken
en zelf stapten we ook uit in de branding van de zee. Daar dan vielen we in slaap en wachtten op de stralende Dageraad.
En toen de Dageraad verscheen, liepen wij in verbazing rond over het eiland.
En we joegen op de geiten die woonden in de bergen, opdat mijn mannen te eten hadden. en voor elk vielen ons negen geiten ten deel; voor mij alleen zochten ze er tien uit. Zo zaten wij toen de hele dag tot zonsondergang ontzaglijk veel
vlees te eten en lekkere wijn te drinken, want nog niet was de rode wijn uit de schepen op, er was nog aan boord, want allemaal hadden we veel in de kruiken
geschept na de inname van de stad der Kikonen. En wij hadden uitzicht op het land der Cyclopen, die dichtbij wonen, wij zagen rook en hoorden hun stemmen en geblaat van schapen en geiten.
Toen nu de zon onderging en de duisternis intrad, legden wij ons te slapen bij de branding van de zee.


Uit bovenstaande beschrijving van Odysseus meen ik eigenlijk te mogen opmaken dat zij de nacht doorbrachten op een eiland – Gavdos of het kleinere daar dichtbij gelegen Gavdopoula – voor de kust van het land der Cyclopen. Daar vandaan besloot hij toen toch het land der Cyclopen zelf nog te gaan bezoeken.

 

 

Toen nu de dageraad aanbrak, belegde ik een vergadering en sprak onder allen:
"Blijven jullie nu hier, mijn andere trouwe mannen, dan ga ik met mijn schip en enkele van jullie op onderzoek uit naar de mensen daar, wat voor lieden het zijn, of zij kwaadaardig zijn en wild en onbeschaafd, ofwel gastvrij ".
Na deze woorden ging ik aan boord en beval mijn mannen zelf aan boord te gaan. Zij scheepten snel in en zetten zich aan de roeiriemen, en zij sloegen de grauwgrijze zee met de riemen.
Maar toen we nu het land bereikten, dat dichtbij lag, zagen we daar langs de uiterste rand een grot, dichtbij de zee, een hoge, overdekt met laurierbomen; daar was de slaapplaats van veel kleinvee, schapen en geiten; en er omheen stond een
hoge omheining van ingegraven stenen.
Daar had een kolos van een man zijn verblijfplaats, die zijn vee alleen placht te weiden, ver weg; want niet liet hij zich in met anderen, maar, eenzelvig, was hij van onrecht vervuld, want hij was een geweldig gedrocht.
- Toen nu beval ik mijn trouwe mannen daar bij het schip te blijven en het te bewaken maar ik koos de twaalf besten uit en ging op weg.
Snel kwamen we in de grot maar we troffen hem niet thuis, hij was zijn vette schapen nog op het veld aan het hoeden.
Wij gingen nu de grot in en stonden perplex over wat we er zagen. Droogmanden stonden vol kazen, en kooien waren gevuld met lammetjes en geitjes, elke soort apart opgesloten.
Toen dan smeekten mijn mannen dringend eerst van de kazen wat mee te nemen en terug te gaan naar het snelle schip en daarmee de zee op te varen;
Maar ik, ik luisterde niet, ach, dat zou wel beter geweest zijn!
Toen ontstaken wij een vuur, en deden ook zelf ons te goed aan de kazen, en wij wachtten hem, binnen gezeten, op totdat hij eraan kwam met zijn kudde.

Hij droeg een geweldige vracht droog hout en hij smeet het met een donderend gedreun neer in de grot; Wij doken angstig weg in de achterste hoek van de grot, daarna tilde hij een grote deursteen omhoog en zette die op zijn plaats, een enorm gevaarte: geen tweeëntwintig stevigen zouden hem van de drempel weg kunnen krijgen, toen ontstak hij een vuur en kreeg ons in de gaten en hij vroeg:
"Hé, vreemdelingen, wie zijn jullie? Waarvoor bevaren jullie de waterwegen? Voor iets bepaalds of zwerven jullie zomaar wat rond, als piraten, die rondzwalken op zee
en hun leven riskeren tot onheil voor anderen?"
Dat zei hij, maar bij ons zonk het hart in de knieën, geschrokken van zijn zware stem en die reuzengestalte.
Maar toch sprak ik hem weer ten antwoord:
"Wij zijn Grieken, op weg vanuit Troje uit de koers geslagen door allerlei tegenwind kwamen wij via een verkeerde route van foute koersen hier terecht: maar wij, hier gekomen, smeken u deemoedig om ons gastvrij te ontvangen." Zo sprak ik, maar hij antwoordde terstond met meedogenloos hart:
"Jij bent een sufferd, vreemde, maar zeg eens waar je je mooie schip ankerde bij aankomst, soms op de landtong of hier vlakbij, dat wil ik graag weten."
Zo sprak hij vorsend, maar ik had alles wel door, dus ik zei weer tegen hem met listige inkleding:
"Ons schip sloeg de aardschudder Poseidon te pletter tegen de rotsen aan de grens van jullie land, door het op een kaap te werpen; want de wind vanuit zee dreef het voort", dat hield ik hem voor, maar de bruut antwoordde mij niet eens, nee, hij sprong op en klauwde naar mijn mannen, greep er twee tegelijk en sloeg ze tegen de grond; hij sneed hen in stukken en maakte van hen zijn avondeten.
Toen de Cykloop zijn grote pens gevuld had strekte hij zich uit in de grot tussen zijn vee. In die toestand wachtten wij jammerend de stralende Dageraad af.

Toen de dageraad aanbrak stak hij het vuur aan en melkte zijn prachtige vee. En toen hij zijn klussen vlug had geklaard, greep hij er weer twee en maakte daar zijn maaltijd van.
Hierna dreef hij zijn vette vee weer naar buiten, na met gemak de grote deursteen weggenomen te hebben; maar hij zette hem daarna ook weer terug, alsof hij een deksel dichtdeed op een pijlkoker.
Ik bleef achter, op kwaad broedend. Het volgende plan scheen mij, bij overweging, het beste:
er lag namelijk een grote stok van de Cykloop bij 'n kooi, wij schatten hem op het oog zo groot als de mast van een schip. Daar liep ik heen en hakte er een stuk af van en legde hem neer voor mijn mannen met de opdracht hem te scherpen. Zij maakten hem glad en ik maakte er een scherpe punt aan, en ik draaide hem in het vlammende vuur.
En 's avonds kwam hij weer terug. Meteen dreef hij zijn vette vee de brede grot in,
allemaal, en hij liet geen dier buiten in de omheining, ofwel omdat hij iets vermoedde, ofwel omdat een god het zo wilde.
Maar vervolgens tilde hij wel weer de grote deursteen voor de uitgang. Toen dan ging ik naar de cykloop toe en zei tegen hem, met een nap in mijn handen vol donkere wijn:
"Cykloop, hier, drink wijn, nu je mensenvlees hebt gegeten, opdat je ziet wat voor heerlijke drank ons schip aan boord had" en hij nam hem aan en dronk tot de bodem; en hij vond het vreselijk lekker, dat drinken van die lekkere wijn en vroeg me een tweede:
"Geef me er alsjeblieft nog een, en zeg me je naam nu meteen opdat ik je een gastgeschenk geef waar je plezier aan beleeft.”
Driemaal ging ik er een voor hem halen, en driemaal goot hij ze naar binnen, niets vermoedend; maar toen de wijn de cykloop naar het hoofd steeg, toen zei ik tot hem met honingzoete woorden:
"Cykloop, u vraagt me mijn roemvolle naam, ik zal u die zeggen, maar geeft u mij dan uw gastgeschenk, zoals u beloofde. 'Niemand' is mijn naam: 'Niemand' noemen mij mijn moeder en vader en alle anderen, mijn mannen."
Dat zei ik, en hij antwoordde meteen, meedogenloos:
"Niemand zal ik het ik het laatst van allemaal opeten, de anderen eerst: dat zal je gastgeschenk zijn."
Met deze woorden zeeg hij achterover op zijn rug. Daar lag hij, zijn brede nek opzij gebogen, en de albedwingende slaap kreeg hem in zijn greep. En toen duwde ik die houtstam onder de grote berg as, om hem te verhitten; zodra de olijfhouten stomp op het punt stond in het vuur vlam te vatten, haalde ik hem snel uit het vuur, en mijn mannen kwamen erbij staan. Zij nu pakten de olijfhouten stomp vast met zijn scherpe punt, en stootten hem pal in zijn oog. 

En de gloed verzengde heel zijn ooglid en oogharen en zijn oogappel verbrandde, en zijn oogwortels sisten van de hitte. Een afgrijselijk gejammer sloeg hij uit en rondom weergalmde het gesteente, hij brulde luid om de andere cyklopen die in zijn buurt huisden in grotten, verspreid over de winderige bergtoppen. Die nu kwamen, toen ze hem hoorden, van alle kanten aanlopen,
bleven staan rond de grot en vroegen wat hij mankeerde:
"Waardoor toch gekweld, Polyfemos, begon je opeens zo te schreeuwen door de goddelijke nacht en maak je ons slapeloos?
Toch niet drijft 'n sterveling je vee weg tegen je wil?”
En tegen hen brulde de sterke Polyfemos vanuit zijn grot:
"Vrienden, Niemand probeert me te doden met list, niet met geweld."

Dit verhaal is bij de meesten onder u natuurlijk wel bekend. De enige reden dat ik het hier in sterk verkorte versie even aanhaal is om de naam van de Cycloop nog even in beeld te krijgen.

In principe zou de reis van Odysseus er dan ongeveer moeten hebben uitgezien als op het kaartje verder omhoog. Ik ga er dan van uit dat de Noord-Afrikaanse kust voldoende onder invloed van Egypte stond in die dagen dat er daar ergens lotusbloemen werden gehouden. Natuurlijk zouden Odysseus en zijn mannen ook meer in de buurt van Egypte zelf terecht kunnen zijn gekomen, maar dat ze naderhand eerst op het eiland Gavdos en van daaruit te Sougia waren beland bij de grot van Polyfimos... Dat is niet onmogelijk.

Eigenlijk hadden we helemaal niet verwacht met het verhaal van Odysseus te worden geconfronteerd op onze tocht langs de zuidkust van Kreta. Maar nu we 'vast' zaten te Sougia en ontdekt hadden dat de grot van de cycloop uit dat verhaal zich hier moest bevinden, besloten we eens te gaan kijken daar.

De wandeling bleek aanmerkelijk langer dan verwacht en helaas stond nergens goed aangegeven waar die grot zich nu precies bevond. Wandelaars die we onderweg tegenkwamen wisten het ook niet, zij hadden er eveneens naar gezocht.
Wel kregen we gedurende onze wandeling een paar mooie vergezichten te zien op de kust waar we eigenlijk langs moesten varen naar onze volgende bestemming, en die zag er behoorlijk ongenaakbaar uit. Er was nergens echt een tussenstop mogelijk.

 

We besloten verder geen energie te gaan verspillen aan een poging om de grot van die cycloop te vinden en keerden terug. We hoopten dat de wind – die vreselijk onbetrouwbare wind, zoals uit het reisverslag van Odysseus maar al te duidelijk blijkt – de volgende dag voldoende zou zijn afgenomen om ons in staat te stellen onze reis voort te zetten.
Deze GW'er is abonnee
Meneer Glimlach: Potver, hoe gaat het verder?!
Wie weet tegenwoordig nog wat waar is?
Op 12-03-2011 18:49:33 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Marsepars:
Meneer Glimlach:

Potver, hoe gaat het verder?!

Dat zien we denk ik in deeltje tien!!!
Cannot kill the Battery!!!
Op 12-03-2011 18:52:11 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
nupeet:
Marsepars:

Meneer Glimlach:

Potver, hoe gaat het verder?!

Dat zien we denk ik in deeltje tien!!!


Via via heb ik vernomen, *zet tromgeroffel in* spannend.
Unity in the Heart of Diversity
Op 12-03-2011 20:43:35 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Marsepars:
nupeet:

Marsepars:

Meneer Glimlach:

Potver, hoe gaat het verder?!

Dat zien we denk ik in deeltje tien!!!


Via via heb ik vernomen, *zet tromgeroffel in* spannend.

Ik heb uit de eerste hand vernomen dat de teller bij 14 stopt.
Voorlopig...
Cannot kill the Battery!!!
Op 12-03-2011 20:56:56 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sas: Tsjaa. Ik heb de redactie gemaild of dat ze denken dat hun lezers niet meer als 1 A4'tje text in zich op kunnen nemen. Ook uitgelegd dat als je het onderwerp googled je het hele artikel zo gevonden hebt.
Maar ze reageren niet eens, ook op 2e email niet.
Fijn dat ze zo over hun lezers denken, of ze hebben te weinig onderwerpen.
Lees meer in deel 10 van mijn reacties......
check the music
Op 14-03-2011 0:34:04 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Jean-Bob:
Sas:

Tsjaa. Ik heb de redactie gemaild of dat ze denken dat hun lezers niet meer als 1 A4'tje text in zich op kunnen nemen. Ook uitgelegd dat als je het onderwerp googled je het hele artikel zo gevonden hebt.
Maar ze reageren niet eens, ook op 2e email niet.
Fijn dat ze zo over hun lezers denken, of ze hebben te weinig onderwerpen.
Lees meer in deel 10 van mijn reacties......


Dat lijkt me toch echt sterk hoor, dat mijn hele artikel door middel van Google te vinden zou zijn. Want ik heb het namelijk nergens anders gepubliceerd. Wat betreft de lengte van de artikelen is het een kwestie van statistieken. De MEESTE mensen schijnen meer te houden van korte artikelen dan van lange. Bij lange schijnt men al snel de aandacht te verliezen en niet meer verder te lezen. Daar is het beleid van korte artikelen die niet meer dan 1 A 4 tje beslaan op gebaseerd.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen, er zullen - gelukkig - altijd wel uitzonderingen blijven. Al gaat het spreekwoord wel dat die regel enkel maar bevestigen.
In het begin had ik er zelf ook wel wat moeite mee dat ik de lengte van mijn artikelen moest aanpassen tot een zeker formaat, en dan in een volgend deel verder moet gaan. Inmiddels ben ik eraan gewend en ach, het heeft toch ook wel weer wat.
Een ander voordeel is, heb ik de laatste tijd wel gemerkt, dat ik soms nog in staat ben niet gepubliceerde artikelen te wijzigen en/of aan te vullen, soms juist doordat zekere reacties me erop wezen dat ik misschien niet helemaal duidelijk was geweest.
Hoe zei Cruyf ook weer? " Elk nadeel heeft zijn voordeel."
Op 14-03-2011 13:52:43 | Kudos: 0 Bericht positief waarderen
 Directe link naar reactie Meld ongepaste reactie
Sitemap - © 2014Grenswetenschap.nl - Reageervoorwaarden